ECLI:NL:RBMNE:2020:2059

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 juni 2020
Publicatiedatum
4 juni 2020
Zaaknummer
16/659682-17
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 366a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke tenuitvoerlegging voorwaardelijke gevangenisstraf wegens niet-naleving voorwaarden

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 2 juni 2020 een vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zeven maanden voorwaardelijk, opgelegd bij vonnis van 27 september 2017 aan veroordeelde.

Veroordeelde was verplicht zich te houden aan voorwaarden waaronder contact met de reclassering, behandeling bij GGZ Centraal en deelname aan beschermd wonen. De reclassering rapporteerde dat veroordeelde geen contact wilde onderhouden, waardoor naleving van de voorwaarden niet mogelijk was. De reclassering adviseerde om het resterende voorwaardelijke strafdeel ten uitvoer te leggen vanwege het hoge recidiverisico.

De officier van justitie verzocht tot gedeeltelijke tenuitvoerlegging voor drie maanden, zodat veroordeelde met een vangnet kan terugkeren in de maatschappij. De verdediging stemde hiermee in. De rechtbank oordeelde dat de voorwaarden onvoldoende waren nagekomen en vond toewijzing van de vordering voor drie maanden passend, om te voorkomen dat veroordeelde zonder vangnet terugkeert.

De rechtbank wees de vordering gedeeltelijk toe voor drie maanden en wees het overige af. De rechtbank benadrukte het belang van contact met reclassering en behandeling tijdens detentie om begeleiding na vrijlating mogelijk te maken.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging gedeeltelijk toe voor drie maanden en wijst het overige af.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Locatie Lelystad
Parketnummer: 16/659682-17
Uitspraak: 2 juni 2020

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling

op de op 8 mei 2020 ter griffie ingekomen vordering van de officier van justitie strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank, locatie Lelystad van 27 september 2017 aan

[veroordeelde] ,

geboren op [1985] te [geboorteplaats] ,
wonende [adres] , te [woonplaats] ,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Nieuwegein,
hierna te noemen: veroordeelde,
opgelegde gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan
zeven maanden voorwaardelijk, waarbij de proeftijd is bepaald op drie jaren. Bij voornoemd vonnis zijn (bijzondere) voorwaarden gesteld, welke na aan een aanvulling bij beslissing van
31 maart 2020 inhielden dat veroordeelde gedurende de proeftijd:
* zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft. Daartoe moet hij zich melden bij Reclassering Nederland, De Meent 4 te Lelystad, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
* zich onder behandeling zal stellen van FACT van GGZ Centraal of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn psychiatrische stoornis zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, ook indien deze behandeling inname van medicatie betreft;
* zal meewerken aan de aanmelding voor een beschermd wonen traject en zich vervolgens zal houden aan de aanwijzingen die in het kader van het verblijf in deze woonvoorziening aan hem zullen worden gegeven en zich houdt aan het (eventuele) programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.
De reclassering is opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
In het dossier bevindt zich een mededeling als bedoeld in artikel 366a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering van 19 oktober 2017.
Bij beslissing van 31 maart 2020 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank een eerdere vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf gedeeltelijk toegewezen, te weten voor de duur van drie maanden. Voor het overige is de vordering destijds afgewezen.

Procedure

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2020.
De officier van justitie, mr. C. Zijlstra, veroordeelde en zijn raadsvrouw, mr. E.I.B. Hoffman, advocaat te Hilversum en de deskundige M.J.C. Bonthuis, reclasseringswerker bij Reclassering Nederland, zijn op de vordering gehoord.

Beoordeling

Advies van de reclassering
In het ‘Advies aan opdrachtgever toezicht’ opgemaakt door M.J.C. Bonthuis van Reclassering Nederland van 30 april 2020 staat het navolgende. Na de terechtzitting van
31 maart 2020 heeft de reclassering wederom meermalen getracht met veroordeelde in contact te komen. Veroordeelde wil, zo heeft de reclassering vernomen, geen contact hebben met de reclassering en Inforsa. Inforsa heeft laten weten dat zij het behandelcontact met veroordeelde stopzetten en hem zullen uitschrijven. De reclassering schrijft dat zij veroordeelde meerdere kansen heeft gegeven om het traject voort te zetten, ondanks de beperkte motivatie en de overtredingen van de voorwaarden. De reclassering vindt het niet wenselijk dat veroordeelde na afloop van zijn detentie dak- en thuisloos zal zijn en buiten zicht van de hulpverlening. Veroordeelde zal zich dan onttrekken aan een behandel- verplichting, waaronder het gebruik van medicatie, met alle gevolgen van dien. Omdat veroordeelde weigert in contact te treden met de reclassering wordt voortzetting van het toezicht niet mogelijk geacht. Aan geen van de opgelegde voorwaarden (omtrent meldplicht, wonen, behandeling en gebruik van medicatie) kan voldaan worden. De reclassering schat het recidiverisico hoog in. Zij adviseert over te gaan tot tenuitvoerlegging van het nog resterende voorwaardelijk strafdeel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf toe te wijzen voor een gedeelte van drie maanden. Op die manier zal een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met bijzondere voorwaarden resteren en kan veroordeelde met een vangnet terugkeren in de maatschappij. Gelet op de feiten waarvoor veroordeelde is veroordeeld en het aanwezige ziektebeeld, is begeleiding en behandeling in het onderhavige geval belangrijk, aldus de officier van justitie.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van veroordeelde deelt het standpunt van de officier van justitie.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat veroordeelde de opgelegde voorwaarden dat hij zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, dat hij zich onder behandeling moet laten stellen van FACT bij GGZ Centraal of een soortgelijke instelling en dat hij moet meewerken aan een beschermd wonen traject niet of in onvoldoende mate is nagekomen. De rechtbank acht daarom termen aanwezig om de vordering toe te wijzen, maar voor een periode van drie maanden. Zoals de rechtbank in haar beslissing van 31 maart 2020 reeds heeft overwogen, vindt zij het onwenselijk om veroordeelde na de detentie zonder enig vangnet te laten terugkeren in de maatschappij. De rechtbank hoopt dat veroordeelde, die zegt na zijn detentie wel begeleid te willen wonen, in gaat zien dat hem die mogelijkheid wordt geboden, maar dat hij daarvoor tijdens zijn detentie in contact dient te treden met de reclassering (alsmede Inforsa) en dat hij gebruik zal maken van het aanbod van zijn raadsvrouw om als tussenpersoon de contacten te begeleiden.
Op grond van het voorgaande zal de vordering worden toegewezen in die zin dat de
tenuitvoerlegging voor de duur van drie maanden wordt bevolen. Voor het overige
wordt de vordering van de officier van justitie afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:
- wijst de vordering gedeeltelijk toe;
- gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van 27 september 2017, voor een deel dat nog niet dat nog niet bij een eerdere beslissing ten uitvoer is gelegd, te weten
voor een gedeelte van drie (3) maanden;
- wijst de vordering voor het overige af.
Aldus gedaan door mr. D.S. Terporten-Hop, voorzitter, mrs. M.J.A.L. Beljaars en
A. Leschot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Campmans als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juni 2020.
De griffier is buiten staat deze beslissing te ondertekenen.
De officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland brengt vorenstaande beslissing ter kennis van de aan ommezijde vermelde persoon, alsmede ter kennis van
mr. E.I.B. Hoffman belast met het verlenen van bijstand.
De officier van justitie,