ECLI:NL:RBMNE:2020:2356
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond: WOZ-waarde woning correct vastgesteld op €297.000
De zaak betreft een beroep tegen de WOZ-waarde van een woning aan een adres te een woonplaats, vastgesteld op €297.000 voor het belastingjaar 2019 met waardepeildatum 1 januari 2018. Eiser, eigenaar van de woning, betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van €262.000 voor. Verweerder, de heffingsambtenaar van de gemeente, handhaaft de vastgestelde waarde en heeft een taxatiematrix overgelegd ter onderbouwing.
De rechtbank overweegt dat de WOZ-waarde de marktwaarde in het economisch verkeer betreft. Verweerder heeft met de taxatiematrix aannemelijk gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, waarbij rekening is gehouden met verschillen tussen referentiewoningen en de woning zelf. Eiser heeft verkoopcijfers van andere woningen aangedragen, maar deze zijn van een ander woningtype en daarom niet relevant voor de waardebepaling.
Daarnaast wijst de rechtbank het beroep van eiser af dat gebaseerd is op verschillen in WOZ-waarden en stijgingspercentages van omliggende woningen. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat eiser geen identieke woningen heeft aangevoerd die lager zijn gewaardeerd. De rechtbank concludeert dat verweerder de WOZ-waarde op juiste wijze heeft vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €297.000 wordt ongegrond verklaard.