Verzoekster heeft een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet aangevraagd, welke door de Regionale Sociale Dienst is afgewezen. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt en vervolgens is een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter toetst of er sprake is van onverwijlde spoed die onmiddellijke voorziening rechtvaardigt. Verzoekster stelde dat zij zonder inkomen zit, huurachterstand heeft en vanwege gezondheidsproblemen niet kan werken, waardoor zij haar woning zou kunnen verliezen. Ter onderbouwing overlegde zij een huurovereenkomst en bankafschriften.
De voorzieningenrechter concludeert dat uit de bankafschriften blijkt dat verzoekster een positief saldo heeft, huurbetalingen tot april 2020 zijn gedaan en er geen concrete aanwijzingen zijn voor dreigende huisuitzetting. De overgelegde stukken en omstandigheden tonen geen onomkeerbare situatie of acute financiële nood.
Daarnaast is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig, zodat zonder diepgaand onderzoek niet kan worden aangenomen dat het besluit in de bodemprocedure zal worden vernietigd. Gelet hierop is het spoedeisend belang niet aanwezig en wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.