Eiseres, onder bewind gesteld, huurt een woning van een woningcorporatie en heeft huurtoeslag aangevraagd voor 2016 en 2018. De Belastingdienst stelde het recht op huurtoeslag voor deze jaren vast op nul, omdat de huurprijs inclusief servicekosten hoger was dan de maximale toegestane huurprijs van €710,68.
Eiseres betoogt dat de woningcorporatie de huurprijs met terugwerkende kracht heeft verlaagd tot onder de maximale huurprijs, en dat de Belastingdienst deze aanpassing moet meenemen bij de vaststelling van de huurtoeslag. De Belastingdienst weigert dit en houdt vast aan de feitelijk betaalde huurprijs in de betreffende jaren.
De rechtbank oordeelt dat de relevante huurprijs de met terugwerkende kracht overeengekomen huurprijs is, omdat deze de daadwerkelijke verplichting van eiseres weerspiegelt. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten en draagt de Belastingdienst op binnen zes weken opnieuw te beslissen, rekening houdend met de verlaagde huurprijs. Tevens wordt de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.