Derde-partij plaatste zonder vergunning een mantelzorgunit op zijn achtererf, niet conform de door het college gewenste plaatsing. Verzoekster, woonachtig naast derde-partij, diende een handhavingsverzoek in tegen deze illegale situatie, dat aanvankelijk werd afgewezen. Na bezwaar en een eerdere voorlopige voorziening besloot het college een last onder dwangsom op te leggen met een begunstigingstermijn tot 1 september 2020 voor verwijdering.
Verzoekster maakte bezwaar tegen de lengte van deze termijn en vroeg opnieuw om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter erkende het spoedeisend belang van verzoekster en twijfelde sterk aan de rechtmatigheid van de lange begunstigingstermijn, die naar zijn oordeel onnodig lang was gezien de korte tijd die nodig is om de unit te verwijderen.
Desondanks woog de voorzieningenrechter het belang van verzoekster om de termijn te verkorten af tegen het belang van derde-partij en het college om de termijn te handhaven. Verzoekster kon instemmen met een termijn van 1,5 maand, waardoor het belang van derde-partij zwaarder woog. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen, zonder proceskostenveroordeling.