Eisers ontvingen bijstand tot 1 november 2018 en werden geconfronteerd met een herzieningsbesluit waarin de bijstand over oktober 2018 werd teruggevorderd wegens inkomsten in die maand. Verweerder paste een systeem toe waarbij inkomsten van een maand worden verrekend met de uitkering van de daaropvolgende maand. Omdat de bijstand per 1 november 2018 stopte, kon de inkomstenverrekening niet meer plaatsvinden in de maand daarna, waardoor de inkomsten over oktober 2018 werden verrekend met diezelfde maand.
Eisers voerden aan dat zij in oktober 2019 geen bijstand ontvingen en dat het terugvorderingsbedrag onterecht was. De rechtbank oordeelde dat sprake was van een kennelijke verschrijving in het jaartal en dat het terugvorderingsbedrag in het bestreden besluit correct was vastgesteld op € 542,43. Tevens stelde de rechtbank vast dat de gehanteerde verrekeningssystematiek toegestaan is en dat bij beëindiging van de bijstand een herzieningsbesluit tot terugvordering noodzakelijk is als nog geen rekening is gehouden met de inkomsten.
De rechtbank verwierp het beroep en concludeerde dat de herziening en terugvordering terecht zijn toegepast. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter C. Karman op 29 juli 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.