ECLI:NL:RBMNE:2020:3023

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 juli 2020
Publicatiedatum
30 juli 2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1057
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
ParticipatiewetArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen herziening en terugvordering bijstand wegens inkomsten oktober 2018

Eisers ontvingen bijstand tot 1 november 2018 en werden geconfronteerd met een herzieningsbesluit waarin de bijstand over oktober 2018 werd teruggevorderd wegens inkomsten in die maand. Verweerder paste een systeem toe waarbij inkomsten van een maand worden verrekend met de uitkering van de daaropvolgende maand. Omdat de bijstand per 1 november 2018 stopte, kon de inkomstenverrekening niet meer plaatsvinden in de maand daarna, waardoor de inkomsten over oktober 2018 werden verrekend met diezelfde maand.

Eisers voerden aan dat zij in oktober 2019 geen bijstand ontvingen en dat het terugvorderingsbedrag onterecht was. De rechtbank oordeelde dat sprake was van een kennelijke verschrijving in het jaartal en dat het terugvorderingsbedrag in het bestreden besluit correct was vastgesteld op € 542,43. Tevens stelde de rechtbank vast dat de gehanteerde verrekeningssystematiek toegestaan is en dat bij beëindiging van de bijstand een herzieningsbesluit tot terugvordering noodzakelijk is als nog geen rekening is gehouden met de inkomsten.

De rechtbank verwierp het beroep en concludeerde dat de herziening en terugvordering terecht zijn toegepast. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter C. Karman op 29 juli 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.

Uitkomst: Het beroep tegen de herziening en terugvordering van bijstand over oktober 2018 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/1057

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2020 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. H. Hassan),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigde: J. de Feijter).

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstand over de maand oktober 2018 herzien. Als gevolg van de herziening heeft verweerder een bedrag teruggevorderd van € 1.346,04.
Bij besluit van 4 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers deels gegrond verklaard. Het terugvorderingsbedrag is vastgesteld op € 542,43.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2020 door middel van een
Skype-beeldverbinding. Eisers, bijgestaan door hun gemachtigde, zijn via videobellen verschenen. Verweerder heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eisers zijn gehuwd en ontvingen tot 1 november 2018 bijstand naar de norm voor gehuwden op grond van de Participatiewet (Pw).
2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat een systeem wordt gehanteerd dat de ontvangen inkomsten in een maand worden verrekend met de uitkering van de daaropvolgende maand. Omdat eisers per 1 november 2019 (lees: 1 november 2018) geen bijstand meer ontvingen, betekent dit dat de inkomsten over de maand oktober 2019 (lees: oktober 2018) niet meer kunnen worden verrekend met de daaropvolgende maand en daarom worden verrekend met de maand oktober 2019 (lees: oktober 2018). Verweerder heeft over de maand oktober 2019 (lees: oktober 2018) een bedrag teruggevorderd van
€ 542,43.
3. Eisers voeren in beroep aan dat zij in oktober 2019 nooit bijstand hebben ontvangen en dat er daarom geen sprake kan zijn van een terugvordering over de maand oktober 2019.
4. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat verweerder het jaar 2019 heeft vermeld in het bestreden besluit in plaats van het jaar 2018 moet worden gezien als een kennelijke verschrijving waaraan in beroep geen consequenties hoeven te worden verbonden. Gelet op de inhoud van het primaire besluit en de processtukken is het duidelijk dat het om het jaar 2018 gaat.
5. Eisers voeren verder aan dat in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel in het primaire besluit wordt gesproken over een terugvorderingsbedrag van € 1.346.04. Dit bedrag is echter nooit aan eisers uitbetaald.
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit het terugvorderingsbedrag heeft vastgesteld op € 542,43. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het kader van de volledige heroverweging in bezwaar het terugvorderingsbedrag in het voordeel van eisers mocht aanpassen.
7. Eisers voeren verder aan dat in de maand oktober 2018 slechts een bedrag van € 887,65 (netto) aan inkomsten is ontvangen. Gelet op de bijstandsnorm voor gehuwden had verweerder de bijstand daarom moeten aanvullen in plaats van terugvorderen.
8. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eisers over de maand oktober 2018 een bedrag van € 459,51 aan bijstand hebben ontvangen. Hierbij is rekening gehouden met inkomsten over de maand september 2018, te weten een bedrag van € 788,13. Ook is een bedrag van € 82,92 aan doorbetaling aan de Volkskredietbank ingehouden.
9. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder gehanteerde betalings- en verrekeningssystematiek waarbij de algemene bijstand aan het eind van de lopende maand werd uitbetaald en de inkomsten over die maand eerst werden verrekend met de uitkering van de maand daarna is toegestaan. Het gevolg hiervan is dat maandelijks een bedrag wordt uitbetaald dat niet in overeenstemming is met het recht op bijstand over die maand. Daardoor moet bij beëindiging van de bijstand een besluit tot herziening en terugvordering volgen van de verleende bijstand, voor zover nog geen rekening is gehouden met de over die periode genoten inkomsten. De rechtbank verwijst hierbij naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 juli 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AU0660).
10. Omdat eisers per 1 november 2018 geen bijstand meer ontvingen, heeft verweerder niet alleen het inkomen over de maand september 2018, maar ook het inkomen over de maand oktober 2018 verrekend met de bijstand over de maand oktober 2018. Dit komt er feitelijk op neer dat eisers over de maand oktober 2018 geen recht meer hebben op bijstand omdat het inkomen hoger was. Verweerder heeft daarom terecht de bijstand over de maand oktober 2018 herzien en het uitbetaalde bedrag van € 542,43 teruggevorderd.
11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 29 juli 2020 door mr. C. Karman, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. van Ettikhoven, griffier.
Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.