ECLI:NL:RBMNE:2020:3031
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering en intrekking vergunningen kansspelondernemingen op grond van Wet Bibob
De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van 16 juni 2020 van de burgemeester van Utrecht om de verlenging van aanwezigheidsvergunningen te weigeren en exploitatievergunningen in te trekken voor twee kansspelondernemingen. Dit besluit is gebaseerd op Bibob-adviezen die ernstige vermoedens van strafbare feiten signaleren, zoals het niet voldoen aan administratie- en bewaarplichten en valsheid in geschrifte.
Verzoekers stelden dat er geen sprake is van strafbare feiten en dat het besluit disproportioneel is, onder meer omdat er geen strafrechtelijke veroordelingen zijn en er lopende procedures zijn die de verwijten kunnen beïnvloeden. Ook werd aangevoerd dat de weigering het doel van de Wet op de kansspelen niet dient en dat een vergunning onder voorwaarden mogelijk zou moeten zijn.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder voldoende zorgvuldigheid heeft betracht door de Bibob-adviezen te betrekken en dat er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt voor strafbare feiten. De belangenafweging viel in het voordeel van het algemeen belang om misbruik van vergunningen te voorkomen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter L.A. Banga op 30 juli 2020 en er is geen rechtsmiddel tegen mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering en intrekking van vergunningen wordt afgewezen.