ECLI:NL:RBMNE:2020:3112
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak op bezwaar wegens onterecht ontbreken procesbelang in WOZ-zaak
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen een WOZ-waarde centraal. Verweerder had het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang, omdat onvoldoende was aangetoond dat eiser door een wijziging van de WOZ-waarde in een financieel of fiscaal betere positie zou komen.
Eiser stelde dat er wel degelijk procesbelang was en verweerder kon niet bewijzen dat dit niet het geval was. Naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad oordeelde de rechtbank dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard. Daarom vernietigde de rechtbank de uitspraak op bezwaar en droeg verweerder op binnen zes weken een nieuwe, inhoudelijke beslissing te nemen.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €525,- wegens inschakeling van professionele juridische hulp en tot vergoeding van het griffierecht. De rechtbank wees erop dat het feit dat meerdere eisers door dezelfde gemachtigde werden bijgestaan, niet betekent dat er sprake is van samenhangende zaken voor de proceskostenvergoeding.
De uitspraak werd gedaan door rechter R.C. Stijnen en griffier P.W. Hogenbirk op 23 juli 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd en verweerder moet binnen zes weken een nieuwe inhoudelijke beslissing nemen en proceskosten vergoeden.