ECLI:NL:RBMNE:2020:3113

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 juli 2020
Publicatiedatum
4 augustus 2020
Zaaknummer
UTR 20/813
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak op bezwaar wegens onterecht niet-ontvankelijk verklaren bezwaar WOZ-waarde

Eiseres had bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde WOZ-waarde, maar dit bezwaar werd door verweerder niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Eiseres stelde dat zij wel degelijk procesbelang had en dat verweerder dit niet kon bewijzen.

De rechtbank oordeelde dat de niet-ontvankelijkverklaring onterecht was, mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2020 (ECLI:NL:HR:2020:467), en vernietigde de uitspraak op bezwaar. Verweerder werd opgedragen binnen zes weken een nieuwe uitspraak op bezwaar te doen waarin inhoudelijk op het bezwaar wordt beslist.

Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €525,- en het griffierecht aan eiseres. De rechtbank wees erop dat het feit dat meerdere eisers door dezelfde gemachtigde werden bijgestaan niet leidt tot samenhangende zaken in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de niet-ontvankelijkverklaring vernietigd en verweerder opgedragen binnen zes weken een nieuwe inhoudelijke beslissing te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/813

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiser(es)

(gemachtigde: G. Gieben),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 februari 2020 het bezwaar van eiser(es) niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang.
Eiser(es) heeft daartegen bij brief van 21 februari 2020 beroep ingesteld.

Overwegingen

1.De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. In geschil is de ontvankelijkheid van het bezwaar.
3. Verweerder geeft in de uitspraak op bezwaar van 10 februari 2020 aan dat het bezwaar niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van procesbelang. Er zijn onvoldoende gegevens aangeleverd waaruit blijkt dat eiser(es) door een wijziging van de WOZ-waarde in een financieel of fiscaal betere positie kan verkeren.
4. Eiser(es) stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat er wel degelijk procesbelang is. Verweerder kan niet bewijzen dat eiser(es) geen belang heeft.
5. In zijn verweerschrift van 30 april 2020 stelt verweerder – kort samengevat – dat het beroep gegrond verklaard dient te worden naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2020 (ECLI:NL:HR:2020:467).
6. De rechtbank is het met verweerder eens. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar van 10 februari 2020 en draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe uitspraak op bezwaar te doen en inhoudelijk te beslissen op de bezwaren van eiser(es).
7. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van Pro de Awb). Dit betekent niet meteen dat eiser(es) inhoudelijk ook gelijk krijgt. Verweerder moet daarover nu gaan beslissen.
8. Dat betekent ook dat eiser(es) een vergoeding krijgt voor de proceskosten die zijn gemaakt. Verweerder moet die betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag van € 525,-, omdat eiser(es) een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om een beroepschrift in te dienen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
9. Verweerder stelt in zijn verweerschrift dat – omdat er diverse soortgelijke beroepen zijn ingediend – er sprake is van samenhangende zaken zoals dat bedoeld is in het Bpb en dat er daarom voor alle soortgelijke beroepen samen één keer de proceskosten vergoed dienen te worden.
10. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van afzonderlijke eisers voor wie afzonderlijk beroepschriften zijn ingediend. De enkele omstandigheid dat de eisers door dezelfde gemachtigde worden bijgestaan, maakt nog niet dat sprake is van samenhangende zaken zoals bedoeld in het Bpb.
11. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser(es) vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar van verweerder;
- draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiser(es) heeft betaald moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 525,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiser(es).
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk, griffier, op 23 juli 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.