ECLI:NL:RBMNE:2020:3114

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 juli 2020
Publicatiedatum
4 augustus 2020
Zaaknummer
UTR 20/1320
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak op bezwaar wegens onterecht niet-ontvankelijkheid bezwaar WOZ-waarde

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde WOZ-waarde, maar dit bezwaar werd door de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Eiseres stelde dat zij wel degelijk belang had bij de wijziging van de WOZ-waarde. De rechtbank oordeelt dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard en verwijst naar een recent arrest van de Hoge Raad dat het belang van eiseres bevestigt.

De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en draagt de heffingsambtenaar op binnen zes weken een nieuwe, inhoudelijke beslissing te nemen over het bezwaar. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €525,- en het griffierecht, omdat eiseres een professionele juridische hulpverlener heeft ingeschakeld.

De uitspraak is gedaan door rechter R.C. Stijnen zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen, met griffier P.W. Hogenbirk aanwezig. Eiseres kan tegen deze uitspraak binnen zes weken een verzetschrift indienen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring en draagt op tot een nieuwe inhoudelijke beslissing binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/1320

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2020 in de zaak tussen

[eiseres] te [woonplaats] , eiser(es)

(gemachtigde: A. Oosters),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 24 februari 2020 het bezwaar van eiser(es) niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang.
Eiser(es) heeft daartegen bij brief van 3 april 2020 beroep ingesteld.

Overwegingen

1.De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. In geschil is de ontvankelijkheid van het bezwaar.
3. Verweerder geeft in de uitspraak op bezwaar van 24 februari 2020 aan dat het bezwaar niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van procesbelang. Er zijn onvoldoende gegevens aangeleverd waaruit blijkt dat eiser(es) door een wijziging van de WOZ-waarde in een financieel of fiscaal betere positie kan verkeren.
4. Eiser(es) stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat er wel degelijk procesbelang is. Verweerder kan niet bewijzen dat eiser(es) geen belang heeft.
5. In zijn verweerschrift van 15 juli 2020 stelt verweerder – kort samengevat – dat het beroep gegrond verklaard dient te worden naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2020 (ECLI:NL:HR:2020:467).
6. De rechtbank is het met verweerder eens. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar van 24 februari 2020 en draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe uitspraak op bezwaar te doen en inhoudelijk te beslissen op de bezwaren van eiser(es).
7. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van Pro de Awb). Dit betekent niet meteen dat eiser(es) inhoudelijk ook gelijk krijgt. Verweerder moet daarover nu gaan beslissen.
8. Dat betekent ook dat eiser(es) een vergoeding krijgt voor de proceskosten die zijn gemaakt. Verweerder moet die betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag van € 525,-, omdat eiser(es) een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om een beroepschrift in te dienen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser(es) vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar van verweerder;
- draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiser(es) heeft betaald moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 525,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiser(es).
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk, griffier, op 23 juli 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.