Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter in een bestuursrechtelijke zaak, stellende dat de rechter vooringenomen en partijdig was vanwege een brief waarin werd aangegeven dat geen zitting nodig was, gevolgd door een brief waarin toch een zitting werd aangekondigd.
De wrakingskamer behandelde het verzoek openbaar, waarbij verzoeker niet verscheen. De kamer constateerde dat het wrakingsverzoek pas vier weken na de brief werd ingediend, zonder toelichting op deze vertraging.
Op grond van artikel 8:16, eerste lid, van de Awb oordeelde de wrakingskamer dat het verzoek niet tijdig was en verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk. De procedure wordt voortgezet zoals die was op het moment van schorsing wegens het wrakingsverzoek.
Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.