ECLI:NL:RBMNE:2020:3457
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening leerlingenvervoer wegens onvoldoende aantonen ontoegankelijkheid dichtstbijzijnde school
Verzoekster vroeg leerlingenvervoer aan voor haar zoon die speciaal basisonderwijs volgt, van hun woning naar een school op 11,4 km afstand. Verweerder wees dit af omdat een andere school op 3,5 km als dichtstbijzijnde toegankelijke school geldt. Verzoekster betoogde dat deze school niet geschikt is voor haar zoon vanwege zijn kwetsbaarheid en didactische behoeften, ondersteund door verklaringen van de huidige school en schoolpsycholoog.
De voorzieningenrechter oordeelde dat deze verklaringen niet aantonen dat de dichterbij gelegen school niet toegankelijk is, aangezien deze ook speciaal basisonderwijs biedt en de zoon welkom is. Verzoekster mocht zelf kiezen naar welke school haar zoon gaat, maar verweerder is niet verplicht het vervoer te bekostigen als het niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school betreft.
Ook werd het beroep op artikel 3 IVRK Pro verworpen omdat dit artikel niet direct toepasbaar is zonder nadere regelgeving. De hardheidsclausule werd niet toegepast omdat de situatie van verzoekster niet uitzonderlijk is en de mogelijke nadelen van schoolwisseling niet onbillijk genoeg zijn. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening leerlingenvervoer wordt afgewezen omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is.