Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift van [verzoeker] , op de griffie ingekomen op 23 april 2020;
- het verweerschrift van [verweerster] van 20 mei 2020.
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een verzoek van een werknemer om een hogere transitievergoeding toe te kennen op grond van een langere anciënniteit dan door de werkgever gehanteerd. De werknemer trad in 2013 in dienst bij de huidige werkgever na een contractswisseling, maar was sinds 2001 werkzaam in de schoonmaaksector bij eerdere werkgevers. De kern van het geschil is of de huidige werkgever als opvolgend werkgever kan worden aangemerkt, waardoor de anciënniteit van het eerdere dienstverband mee zou tellen.
De kantonrechter beoordeelt dit aan de hand van het vóór 1 juli 2015 geldende recht, waarbij het zogeheten 'zodanige banden-criterium' geldt. Dit criterium vereist dat er zodanige banden zijn tussen de werkgevers dat de opvolgende werkgever inzicht heeft in de hoedanigheid en het functioneren van de werknemer. In deze zaak is vastgesteld dat er geen inhoudelijk overleg was tussen de werkgevers over de werknemer, noch is het personeelsdossier overgedragen. De cao bepaalt wel dat werknemers bij contractswisseling een arbeidsovereenkomst moeten krijgen aangeboden, maar dit leidt niet tot opvolgend werkgeverschap.
De werknemer ervaart dit als onrechtvaardig, onder meer omdat hij niet automatisch recht kreeg op een jubileumuitkering. De kantonrechter benadrukt echter dat de jurisprudentie van de Hoge Raad geen ruimte laat voor een andere uitleg. De werknemer had in 2013 kunnen kiezen om bij de oude werkgever te blijven werken op een andere locatie, maar koos voor een nieuw dienstverband. Daarom kan de werknemer geen rechten ontlenen aan zijn branchedatum van 2001 voor de berekening van de transitievergoeding.
Het verzoek tot toekenning van een hogere transitievergoeding wordt afgewezen, evenals de nevenverzoeken tot wettelijke rente en verhoging. Partijen hebben afgesproken dat over de proceskosten geen beslissing hoeft te worden genomen, omdat de werkgever de gemaakte kosten voor haar rekening neemt.
Uitkomst: Verzoek om hogere transitievergoeding afgewezen wegens ontbreken opvolgend werkgeverschap.