De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 1 september 2020 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van afpersing van een benadeelde partij op 11 februari 2020 in Hilversum. De tenlastelegging betrof het met geweld en/of bedreiging dwingen tot afgifte van geld en goederen. Tijdens de zitting werd vastgesteld dat er WhatsApp-contact was geweest voorafgaand aan ontmoetingen waarbij een wapen werd getoond en klappen werden uitgedeeld.
De officier van justitie achtte het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, gesteund door verklaringen van de aangever en objectief bewijs zoals de vondst van een nepvuurwapen en geldbedragen bij verdachte en medeverdachte. De verdediging voerde aan dat de verklaringen van de aangever onbetrouwbaar waren en dat het (mede)plegen niet bewezen kon worden.
De rechtbank concludeerde dat hoewel sommige onderdelen van het dossier de lezing van de aangever ondersteunen, deze ook passen bij de lezing van verdachte. De verklaringen van de aangever waren op essentiële punten inconsistent en onvoldoende ondersteund door objectief bewijs. Daarom werden deze verklaringen niet voor het bewijs gebruikt en kon niet worden vastgesteld dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan afpersing.
De rechtbank sprak verdachte vrij, hief het bevel tot voorlopige hechtenis op en gelastte teruggave van in beslag genomen goederen. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard en verwezen naar de burgerlijke rechter. De benadeelde partij werd veroordeeld in de kosten van verdachte, begroot op nihil.