ECLI:NL:RBMNE:2020:3826
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen invordering dwangsommen wegens kamerverhuur en woningsplitsing
Eiseres is eigenaar van een woning waar kamerverhuur en woningsplitsing plaatsvonden zonder de vereiste vergunningen. Verweerder legde op 22 augustus 2017 een last onder dwangsom op om deze situaties binnen zes weken te beëindigen, met een dwangsom van €1.000 per week per overtreding, met een maximum van €10.000 per overtreding. Eiseres maakte bezwaar tegen deze last onder dwangsom, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard en zij stelde geen beroep in.
Na meerdere controles in 2017 en 2018 constateerden inspecteurs dat eiseres niet aan de last had voldaan. Verweerder vorderde daarop dwangsommen ter hoogte van €12.000. Eiseres voerde in de beroepsprocedure aan dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom tot invordering werd overgegaan en dat er sprake was van concrete zicht op legalisatie van de woningsplitsing.
De rechtbank oordeelde dat het besluit tot opleggen van de last onder dwangsom onherroepelijk was en dat de gronden van eiseres tegen dat besluit niet meer konden slagen. De rechtbank stelde vast dat eiseres niet binnen de gestelde termijn aan de last had voldaan en dat de dwangsommen terecht waren verbeurd. Ook waren er geen bijzondere omstandigheden die invordering konden verhinderen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de dwangsommen werden bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de invordering van dwangsommen van €12.000 wegens kamerverhuur en woningsplitsing is ongegrond verklaard.