ECLI:NL:RVS:2016:3430
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C. Kranenburg
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving last onder dwangsom wegens onzelfstandige bewoning zonder vergunning
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag legde appellant een last onder dwangsom op omdat de woning aan een locatie in Den Haag werd gebruikt voor onzelfstandige bewoning zonder vergunning, waarbij meer dan twee personen woonden die geen huishouden vormden. Appellant voldeed niet aan deze last, waarna het college overging tot invordering van de dwangsom. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant tegen deze besluiten ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat de handhaving niet meer gerechtvaardigd was omdat de Huisvestingsverordening Den Haag 2015-2019 de vergunningplicht had afgeschaft voor situaties met maximaal drie bewoners. De Raad van State oordeelde dat in deze zaak vier personen in de woning stonden ingeschreven, waardoor de uitzondering niet van toepassing was en geen concreet zicht op legalisatie bestond.
Voorts voerde appellant aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn financiële omstandigheden. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat invordering van verbeurde dwangsommen zwaarwegend is en dat een beroep op geringe draagkracht in beginsel niet leidt tot afzien van invordering, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. Die waren hier niet aanwezig. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de handhaving van de last onder dwangsom en de invordering daarvan wegens onzelfstandige bewoning zonder vergunning.