ECLI:NL:RBMNE:2020:3833
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Huurtoeslagberekening en onderhuur zonder schriftelijke overeenkomst
Eiseres verzocht om herberekening van haar huurtoeslag vanaf 17 augustus 2017 zonder het inkomen van [A], die zij als onderhuurder beschouwde. De Belastingdienst hield echter vast aan de aanmerkingswijze van [A] als medebewoner tot 1 augustus 2019 vanwege het ontbreken van een schriftelijke onderhuurovereenkomst.
De rechtbank bevestigde dat op grond van artikel 2 Awir Pro een schriftelijke overeenkomst vereist is om onderhuur aan te nemen. De door eiseres overgelegde overeenkomst dateerde van 30 augustus 2019 en kon dus niet met terugwerkende kracht worden toegepast. Mondelinge afspraken zijn onvoldoende bewijs.
Eiseres had onvoldoende bewijs geleverd om het standpunt van onderhuur te ondersteunen, ondanks haar telefonische meldingen aan de Belastingdienst en een bankafschrift. De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst terecht het inkomen van [A] heeft betrokken bij de huurtoeslagberekening over de periode 17 augustus 2017 tot 31 juli 2019. Het beroep tegen het bestreden besluit II werd ongegrond verklaard, het beroep tegen het eerdere besluit I niet-ontvankelijk.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond, waarbij de Belastingdienst terecht [A] als medebewoner heeft aangemerkt.