ECLI:NL:RVS:2021:1959
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing onderhuur bij huurtoeslagberekening
Appellante huurt een woonruimte en betwist dat een persoon die op hetzelfde adres staat ingeschreven als medebewoner moet worden aangemerkt. Zij stelt dat deze persoon haar onderhuurder is en overlegt een huurovereenkomst en betaalbewijzen. De Belastingdienst/Toeslagen erkent onderhuur vanaf 1 augustus 2019, maar niet daarvoor, omdat de schriftelijke overeenkomst pas op 30 augustus 2019 is ondertekend.
De rechtbank verklaart het beroep van appellante grotendeels ongegrond, stellende dat onderhuur alleen kan worden aangenomen indien voorafgaand aan de periode een schriftelijke overeenkomst is gesloten. Appellante gaat in hoger beroep en betoogt dat de wetgever niet heeft beoogd de eis van een schriftelijke overeenkomst als voorwaarde te stellen, maar slechts als bewijsstuk.
De Afdeling bestuursrechtspraak volgt dit betoog niet geheel en oordeelt dat de schriftelijke overeenkomst wel vereist is, maar niet per se voorafgaand aan de periode van belang hoeft te zijn gesloten. Mondelinge afspraken vooraf kunnen worden vastgelegd in een latere schriftelijke overeenkomst. De Belastingdienst dient daarom opnieuw te beoordelen of er sprake is van onderhuur voor de periode vóór 1 augustus 2019, waarbij ook bewijs van betaling kan worden meegewogen.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover het bezwaar ongegrond werd verklaard, en de Belastingdienst wordt opgedragen het bezwaar opnieuw te beoordelen. Tevens worden proceskosten en griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de Belastingdienst wordt vernietigd voor zover het bezwaar ongegrond werd verklaard, met opdracht tot hernieuwde beoordeling.