ECLI:NL:RBMNE:2020:4143

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 september 2020
Publicatiedatum
30 september 2020
Zaaknummer
20/993
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10a.6 Wsf 2000Art. 10.a7 Wsf 2000Wet studiefinanciering 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van maandbedrag verlaging studiefinancieringsschuld op basis van draagkracht

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het maandbedrag voor het aflossen van zijn studieschuld voor 2020 vast te stellen op € 0,00 vanaf februari 2020. De rechtbank heeft onderzocht of deze verlaging terecht is vastgesteld vanaf februari en niet vanaf januari 2020.

De wettelijke maandelijkse termijnen worden berekend op basis van de hoogte van de lening, de resterende aflossingsperiode en rente, zonder rekening te houden met inkomen of draagkracht. Eiser kan echter een aanvraag indienen om de maandelijkse betalingen af te stemmen op zijn draagkracht voor de resterende aflosfase. De rechtbank bevestigt dat draagkrachtmeting niet kan worden toegepast op reeds vervallen termijnen.

De rechtbank oordeelt dat de Minister het maandbedrag correct heeft verlaagd per februari 2020, aansluitend op het verzoek van eiser van 7 januari 2020. De nadelige gevolgen van het niet tijdig aanvragen van de draagkrachtmeting komen voor rekening van eiser. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot verlaging van het maandbedrag studiefinanciering naar nul vanaf februari 2020 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/993
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Hummel).

Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de hoogte van het maandbedrag voor 2020 voor het aflossen van de studieschuld voor eiser voor de periode van februari tot en met december 2020 vastgesteld op
€ 0,00. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 27 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2020 via Skype. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Op 7 januari 2020 heeft eiser een verzoek tot verlaging van het maandbedrag van € 389,01 ingediend. Verweerder heeft het maandbedrag in het primaire besluit van 7 januari 2020 over de periode februari tot en met december 2020 verlaagd naar € 0,00 per maand.
3. In geschil is of verweerder het maandbedrag terecht heeft verlaagd met ingang van februari 2020 en niet met ingang van 1 januari 2020.
4. De wettelijke maandelijkse termijnbetalingen worden gebaseerd op de hoogte van de lening, de periode dat er nog moet worden afgelost en de nog te berekenen rente. [1] Inkomen en draagkracht spelen daarbij geen rol. Op dat uitgangspunt is de vaststelling van het maandbedrag op € 389,01 in het besluit van 12 november 2019 gebaseerd. Dat is in overeenstemming met de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).
5. Eiser kan een aanvraag indienen om zijn draagkracht vast te stellen voor de resterende duur van de aflosfase. [2] De maandelijkse termijnbetalingen kunnen dan op de inkomenssituatie van eiser worden afgestemd. Het is vaste rechtspraak dat de draagkrachtmeting voor reeds vervallen termijnen niet mogelijk is. [3] Verweerder heeft naar aanleiding van eisers verzoek van 7 januari 2020 de nieuwe aflossing op basis van zijn draagkracht dan ook terecht met ingang van 1 februari 2020 en niet al met ingang van 1 januari 2020 toegewezen en een maandbedrag van € 0,00 vastgesteld. De nadelige gevolgen van het niet (tijdig) aanvragen van een draagkrachtmeting komen voor rekening en risico van eiser.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2020 door
mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P. Stehouwer, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 10a.6. van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).
2.Dit volgt uit artikel 10.a7. van de Wsf 2000.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4146).