ECLI:NL:CRVB:2016:4146
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ingangsdatum draagkrachtvaststelling bij studieschuld na emigratie
Appellant, die zijn studieschuld aflost, emigreerde in oktober 2012 naar Frankrijk. Omdat de minister geen inkomensgegevens van appellant over 2014 ontving, werd bij besluit van 6 januari 2014 vastgesteld dat appellant maandelijks €684,65 moest betalen. Na ontvangst van een draagkrachtformulier in juni 2014 stelde de minister bij besluit van 6 oktober 2014 de draagkracht vast op basis van het inkomen over 2012 en bepaalde dat appellant vanaf 1 juli 2014 niets hoefde terug te betalen.
Appellant maakte bezwaar tegen de ingangsdatum van 1 juli 2014 en wilde deze terug naar 1 januari 2014. De minister wees het bezwaar af en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de minister conform artikel 10a.7 Wsf 2000 handelde en appellant tijdig had moeten reageren op het bericht van januari 2014.
In hoger beroep stelde appellant dat hij het besluit van januari 2014 nooit had ontvangen omdat het naar zijn oude adres was gestuurd. De Raad oordeelde dat de minister terecht de ingangsdatum op 1 juli 2014 had vastgesteld, omdat draagkrachtmeting voor reeds vervallen termijnen niet mogelijk is en de continuantenregeling alleen geldt voor binnenlandse belastingplichtigen. Buitenlandse belastingplichtigen moeten hun inkomensgegevens zelf aanleveren.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De ingangsdatum van de draagkrachtvaststelling blijft 1 juli 2014, hoger beroep wordt afgewezen.