Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2020 in de zaak tussen
[eiser sub 1] h.o.d.n. [handelsnaam] , te [vestigingsplaats] ,
[eiser sub 2] , te [woonplaats]
[derde-partij 1]en
[derde-partij 2].
Rechtbank Midden-Nederland
Eisers, bestaande uit een eigenaar en een huurder van percelen waar een houtverwerkingsbedrijf is gevestigd, werden geconfronteerd met handhavingsbesluiten die de bedrijfsactiviteiten beperkten. Derde-partij maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar eisers maakten zelf geen bezwaar.
De rechtbank oordeelt dat derde-partij ten onrechte ontvankelijk is verklaard in het bezwaar omdat deze geen belanghebbende is. De woning van derde-partij ligt op aanzienlijke afstand van het bedrijfsterrein, met diverse fysieke barrières en zonder zicht op de bedrijfsactiviteiten. Ook is niet gebleken van hinderlijke gevolgen zoals verkeers- of geluidsoverlast.
Daarom wordt het bestreden besluit van 4 september 2019 vernietigd en het bezwaar van derde-partij niet-ontvankelijk verklaard. Het primaire besluit blijft ongewijzigd van kracht. Eisers worden in hun proceskosten en griffierechten door verweerder vergoed.
Uitkomst: Het beroep van eisers wordt gegrond verklaard en het bezwaar van derde-partij niet-ontvankelijk verklaard; het bestreden besluit wordt vernietigd.