ECLI:NL:RBMNE:2020:4295

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 oktober 2020
Publicatiedatum
8 oktober 2020
Zaaknummer
UTR 20/1944
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 lid 3 ParticipatiewetArt. 17 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht over online handelsactiviteiten

Eisers ontvingen sinds december 2014 bijstand en zijn verplicht alle relevante feiten omtrent hun recht op bijstand direct te melden. Verweerder trok het recht op bijstand in over de periode 1 januari tot en met 31 augustus 2018 vanwege het niet melden van online handelsactiviteiten via diverse platforms en het ontbreken van bewijs over een beleggingsrekening.

Eisers betwistten niet dat zij de inlichtingenplicht schonden, maar stelden dat zij ten onrechte geen bijstand ontvingen. De rechtbank oordeelde dat schending van de inlichtingenplicht een geldige grond is voor intrekking indien het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Eisers slaagden er niet in aannemelijk te maken dat zij recht hadden op bijstand als zij wel aan de plicht voldaan hadden.

De rechtbank wees erop dat de door eisers aangeleverde gegevens onvoldoende inzicht gaven in de mutaties binnen de handelsplatforms, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Ook was onduidelijk wanneer de beleggingsrekening was opgeheven. De intrekking van de bijstand werd daarom bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de intrekking van de bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/1944

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2020 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , te [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. J.H.F. de Jong),
en
het Dagelijks Bestuur van de gemeenschappelijke regeling Avres, namens deze de directeur van Werk en Inkomen Lekstroom , verweerder
(gemachtigde: mr. D.G. Berkenbosch).

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht van eisers op bijstand over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 augustus 2018 ingetrokken [1] .
Bij besluit van 8 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard onder aanvulling van de motivering.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2020. De heer [eiser 1] is verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en de tolk S. el Mathari. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen.

De uitleg van de rechtbank

1. Eisers ontvangen sinds 1 december 2014 bijstand naar de norm voor gehuwden.
Bij het recht op bijstand horen verplichtingen, zoals de verplichting voor eisers om alle feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op zijn recht op bijstand meteen zelf te melden bij verweerder. Dit heet de inlichtingenplicht [2] .
2. Verweerder heeft het recht op bijstand van eisers ingetrokken, omdat eisers
hun inlichtingenplicht hebben geschonden. Zij hebben geen duidelijkheid verschaft over hun online handelsactiviteiten in aandelen en beleggingsinstrumenten bij Global Collect , Plus500.com en BinaryOnline over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 augustus 2018. Hierdoor was het recht op bijstand over deze periode niet vast te stellen. In het bestreden besluit heeft verweerder het bestreden besluit gehandhaafd. Hierbij heeft verweerder het bestreden besluit aanvullend gemotiveerd, in de zin dat dat het recht op bijstand ook niet is vast te stellen doordat van de ING -beleggingsrekening [rekeningnummer] geen bewijs van opheffing is ingeleverd en geen bankafschriften zijn ingeleverd over de periode vanaf eind maart 2018.
3. Eisers hebben in beroep niet betwist dat zij de inlichtingenplicht hebben geschonden door geen melding te maken van de online handelsactiviteiten. Zij stellen dat zij desondanks op geen enkel moment ten onrechte bijstand hebben ontvangen.
4. Schending van de inlichtingenplicht levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand van de betrokkenen niet kan worden vastgesteld. Het is dan aan de betrokkenen om aannemelijk te maken dat zij, indien zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op bijstand zouden hebben gehad.
5. De rechtbank is van oordeel dat eisers dit niet aannemelijk hebben gemaakt.
Zij hebben immers geen dan wel onvoldoende verifieerbare gegevens over hun online handelsactiviteiten over de periode waarover het gaat (1 januari tot en met 31 augustus 2018) overgelegd. De enkele stelling dat zonder meer vastligt welke bedragen op de rekening van ieder platform zijn binnen gekomen en ook de bedragen die zijn terug gevloeid vanaf die platforms, waarbij eisers verwijzen naar een opsomming op pagina 15 van het onderzoeksrapport van 24 januari 2020, zodat een simpele optelsom kan worden gemaakt met een negatief resultaat voor eisers, is daarvoor niet genoeg. Uit die opsomming blijkt alleen wat er van en naar de ‘gewone’ bankrekening en creditcard van eisers is overgeboekt naar de diverse platforms en wat er van deze platforms is teruggeboekt. Welke mutaties er binnen de platforms zijn geweest, is daarmee niet inzichtelijk gemaakt. Dus kan niet worden vastgesteld of eisers in de periode van belang op bepaalde momenten niet meer bijstandsbehoeftig waren. Dat dit niet inzichtelijk is geworden, komt voor rekening en risico van eisers.
Over het al dan niet opheffen van de ING -beleggingsrekening [rekeningnummer] geldt dat uit een bankafschrift met het saldo 0 en een overzicht waar in kleine letters staat dat deze rekening in 2018 is opgeheven, niet volgt wanneer de opheffing van deze rekening zou zijn geweest. Er kan daarmee niet uitgesloten worden dat deze rekening in de periode van belang (1 januari tot en met 31 augustus 2018) nog bestond. De conclusie is dan dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat het recht over die periode niet meer vast te stellen is. De rechtbank volgt eisers dan ook niet in hun stelling dat zij in de betreffende periode niet ten onrechte bijstand hebben ontvangen. Het recht op bijstand is op juiste gronden ingetrokken.
6. Omdat het beroep ongegrond is, wordt verweerder niet veroordeeld om de proceskosten van eisers te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.E. van Gestel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2020.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Artikel 54, derde lid, van de Participatiewet (Pw)
2.Artikel 17 van Pro de Pw