Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord in conventie, eis in reconventie, ingediend voor de rolzitting van 20 mei 2020 op 18 mei 2020;
- de mededeling van de griffie van 6 juli 2020 dat op 28 augustus 2020 een mondelinge behandeling via Skype zou plaatsvinden;
- de conclusie van antwoord in reconventie die [eiser] op 21 juli 2020 heeft ingediend;
- een gewijzigde conclusie van antwoord in conventie, eis in reconventie van [gedaagde] die is ingekomen op 17 juli 2020 en bedoeld is ter vervanging van de eerder door hem op 18 mei ingediende conclusie, waarin [gedaagde] achteraf enkele omissies had geconstateerd;
- de brief van de griffie waarbij de gewijzigde conclusie van antwoord in conventie, eis in reconventie aan [eiser] is gestuurd en haar de gelegenheid is geboden bij akte in conventie en reconventie te reageren op de gewijzigde conclusie van antwoord in conventie, eis in reconventie;
- de akte uitlating die [eiser] op 4 augustus 2020 heeft ingediend.
- de akte (ingekomen op 17 augustus 2020) waarmee [gedaagde] producties (genummerd I tot en met XXX) heeft ingediend.
2.Wat is de achtergrond?
- factuur gedateerd 17 oktober 2018, verzonden 9 november 2018, van € 3.630,00 (hierna: factuur I);
- factuur van 9 november 2018 van € 21.326,00 (hierna: factuur II);
- factuur van 17 januari 2019 van € 3.480,78 (hierna: factuur III).
- onderhouden contacten met [bedrijf 1] en doen van voorstellen aan [bedrijf 1] ;
- onderhouden van contacten met [gedaagde] en het beantwoorden van diens vragen en geven van advies op zijn inbreng in de zaak;
- het maken en indienen van een verzoekschrift voor de financiële afwikkeling van het dienstverband;
- het herstellen van het ingediende verzoekschrift.
3.Het geschil
In conventie
- € 7.437,01 aan hoofdsom betreffende de openstaande facturen II en III,
- € 148,74 aan wettelijke rente over de hoofdsom van 22 februari 2019 tot en met 22 februari 2020,
- de wettelijke rente over € 7.585,75 (hoofdsom vermeerderd met wettelijke rente) vanaf 22 februari 2020 tot de voldoening,
- € 746,85 aan buitengerechtelijke incassokosten,
- € 7.865,00 als schadevergoeding voor de kosten die hij heeft moeten maken voor mr. [A] voor het indienen van het verzoekschrift,
- € 8.171,29, als schadevergoeding, omdat [eiser] meer in rekening heeft gebracht dan een redelijk handelend advocaat, die zorgvuldig zijn werk zou hebben gedaan, in rekening zou hebben gebracht,
- beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2019,
4.De beoordeling
922,00(2 punten x tarief € 461,00)