ECLI:NL:GHDHA:2019:2392
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geschil over redelijkheid en omvang van advocatendeclaraties in WGA-ERV verzekeringszaak
In deze civiele zaak staat een geschil centraal over de hoogte en redelijkheid van declaraties van een advocatenkantoor dat werkzaamheden verrichtte voor Stichting Schaderegelingskantoor voor Rechtsbijstandverzekering (SRK) in een WGA-ERV verzekeringsgeschil tussen HSS en het UWV.
De rechtbank had eerder een verstekvonnis uitgesproken waarbij SRK werd veroordeeld tot betaling van ruim €77.000 aan het advocatenkantoor. SRK kwam in verzet en stelde onder meer dat de overeenkomst van opdracht was ontbonden wegens toerekenbaar tekortschieten van de advocaat, dat de declaraties onredelijk hoog waren en dat bepaalde werkzaamheden niet voor vergoeding in aanmerking kwamen.
Het hof oordeelt dat de overeenkomst uiteindelijk wel tot stand is gekomen, maar dat de algemene voorwaarden van het advocatenkantoor niet van toepassing zijn. Het hof volgt SRK deels in haar standpunten, onder meer dat declaraties voor werkzaamheden na 20 december 2015 met betrekking tot bepaalde verhaalsbesluiten niet betaald hoeven te worden. Het hof wijst ook op de noodzaak van een deskundigenonderzoek naar de redelijkheid van de declaraties, mede gezien de omvang en aard van de werkzaamheden en het beperkte financiële belang van de zaak.
Het hof verwijst de zaak naar een rolzitting voor het benoemen van een deskundige en houdt verdere beslissing aan. De uitspraak is gedaan door drie rechters op 17 september 2019.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis deels, wijst de zaak toe aan deskundigenonderzoek en houdt verdere beslissing aan.