ECLI:NL:RBMNE:2020:4527

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 oktober 2020
Publicatiedatum
26 oktober 2020
Zaaknummer
UTR 20/998
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen terugvordering bijzondere bijstand voor woninginrichting

Eiseres had bijzondere bijstand aangevraagd voor woninginrichting en ontving een bedrag van €3.400,-. Verweerder vorderde later een deel van dit bedrag terug omdat eiseres onvoldoende bewijs overlegd had van de besteding. Na bezwaar werd het terug te vorderen bedrag verminderd tot €925,62.

Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit en voerde aan dat zij de bijstand conform de regels had besteed en bewijsstukken zou aanleveren. De rechtbank constateerde dat de beroepsgronden een herhaling waren van het bezwaar en dat verweerder deze reeds gemotiveerd had weerlegd.

Omdat eiseres geen nieuwe feiten of bewijsstukken aanvoerde, kon het bestreden besluit in stand blijven. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door rechter Y. Sneevliet op 22 oktober 2020.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de terugvordering van bijzondere bijstand wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/998

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M. el Ahmadi),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigde: E.H. Siemeling).

Procesverloop

Eiseres heeft op 25 maart 2019 bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor de kosten van woninginrichting aangevraagd. Verweerder heeft haar op 4 april 2019 bijzondere bijstand om niet toegekend, bestaande uit een bedrag van € 3.400,- ter besteding aan woninginrichting. Daarbij heeft verweerder medegedeeld dat eiseres vóór 15 mei 2019 bewijsstukken van haar aankopen moet overleggen.
Bij besluit van 8 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting ter waarde van € 1.869,64 van eiseres teruggevorderd, omdat verweerder voor dat deel van het toegekende bedrag niet kan vaststellen waaraan eiseres het heeft besteed. Na herhaald verzoek heeft eiseres namelijk geen/onvoldoende bewijsstukken ingeleverd.
Eiseres is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 23 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en in plaats daarvan bepaald dat een bedrag ter waarde van € 925,62 van eiseres wordt teruggevorderd. Daarbij heeft verweerder een proceskostenvergoeding van € 1.050,- toegekend.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2020. Eiseres, haar gemachtigde en verweerder zijn met voorafgaand bericht niet verschenen op de zitting.

Overwegingen

1. De rechtbank zal het door eiseres ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren, wat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. De rechtbank geeft hiervoor de volgende uitleg.
2. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij de toegekende bijzondere bijstand conform het besluit besteed heeft aan de inrichting van haar woning. Ook heeft zij aangevoerd dat zij tijdig bewijsstukken naar de rechtbank zal sturen.
3. De rechtbank stelt vast dat de gronden van het beroep een herhaling betreffen van wat eiseres in bezwaar heeft aangevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder daarop in het bestreden besluit al voldoende ingegaan en heeft hij deze gronden gemotiveerd weerlegd. De rechtbank stelt vast dat eiseres in beroep niet heeft aangevoerd waarom de overwegingen van verweerder in reactie op de bezwaargronden niet in stand kunnen blijven, zodat alleen al hierom de herhaalde standpunten niet tot vernietiging van het bestreden besluit kunnen leiden. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de motivering waarvan uit het bestreden besluit blijkt, dit besluit kan dragen. Bewijstukken waaruit zou kunnen blijken dat deze motivering onjuist of onvolledig is, zijn door eiseres ook in beroep niet overgelegd.
4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
22 oktober 2020.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.