ECLI:NL:RBMNE:2020:4654
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot schorsing concurrentiebeding wegens onvoldoende onbillijkheid
Eiser is sinds 2008 in dienst van gedaagde en wil per 1 oktober 2020 overstappen naar een concurrent, bedrijf 2. Gedaagde beroept zich op een concurrentiebeding dat een overstap binnen de sector voor twee jaar na beëindiging verbiedt met een boete van €45.379.
Eiser vordert in kort geding de schorsing van het concurrentiebeding, stellende dat zijn functie is gewijzigd en dat het beding onbillijk is omdat hij dichter bij huis wil werken en gedaagde geen passende opdrachten in Limburg heeft. Gedaagde betwist dit en stelt dat eiser uitgebreide bedrijfsgevoelige informatie bezit en dat het belang bij handhaving groot is.
De kantonrechter oordeelt dat het concurrentiebeding rechtsgeldig is, dat de functie van eiser niet ingrijpend is gewijzigd en dat het beding niet aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken. Het belang van gedaagde bij handhaving weegt zwaarder dan het belang van eiser om bij bedrijf 2 te werken. De vordering tot schorsing wordt daarom afgewezen.
Ook de subsidiaire vorderingen tot matiging van de straal en boete worden afgewezen. De reconventionele vordering van gedaagde tot verbod op overtreding van het beding met dwangsom wordt eveneens afgewezen. Beide partijen worden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van het concurrentiebeding wordt afgewezen en de reconventionele vordering tot verbod op overtreding wordt eveneens afgewezen.