ECLI:NL:RBMNE:2020:4851
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde van woning aan spoorlijn ongegrond verklaard
De zaak betreft een beroep van de eigenaar van een hoekwoning uit 1928 tegen de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde van €424.000,- voor het belastingjaar 2019. De eigenaar stelde dat de waarde te hoog was en voerde onder meer aan dat onvoldoende rekening was gehouden met de gedateerde staat van de woning en de ligging aan een drukke spoorlijn.
De gemeente heeft de waarde vastgesteld met behulp van een taxatiematrix waarin de woning is vergeleken met drie referentiewoningen met vergelijkbare kenmerken en ligging. De rechtbank oordeelt dat de gemeente aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, mede omdat correcties voor kwaliteit en voorzieningen zijn toegepast en de ligging aan de spoorlijn in de vergelijkingsobjecten is meegenomen.
De rechtbank wijst erop dat de gemeente in elke fase van de procedure de WOZ-waarde mag onderbouwen en dat verschillen in taxatierapporten tussen bezwaar- en beroepsfase zijn toegestaan zolang de eindwaarde overeenkomt. De aangevoerde bezwaren van eiser leiden niet tot een lagere waarde. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €424.000,- wordt ongegrond verklaard.