ECLI:NL:RBMNE:2020:4900
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank verklaart beroep ontvankelijk en vernietigt besluit om bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren inzake omgevingsvergunning horecabedrijf
De Utrechtse Bomenstichting had bezwaar gemaakt tegen de verlenging van een omgevingsvergunning voor een tijdelijk horecabedrijf aan een perceel in Utrecht. Het college van burgemeester en wethouders verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat zij meende dat de stichting geen rechtstreeks belanghebbende was volgens artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De stichting stelde dat haar statutaire doelstelling, gericht op de bescherming van groen, bomen, flora en fauna, voldoende functioneel begrensd is en dat eerdere uitspraken van rechtbanken en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dit bevestigen. Tevens wees zij op de negatieve gevolgen van het horecabedrijf voor het park en de natuur, zoals afval, verstoring van vogels en beschadiging van bloemperken.
De rechtbank oordeelde dat de stichting een rechtstreeks betrokken belang heeft bij het besluit, gelet op haar statutaire doelstelling en feitelijke werkzaamheden, waaronder advisering en organisatie van informatiebijeenkomsten. Hoewel het besluit zelf niet impliceert dat er bomen gekapt worden, kan het horecabedrijf wel schade veroorzaken aan de natuur in het plantsoen. Daarom was het besluit om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren onterecht.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg het college op binnen acht weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van de stichting.
Uitkomst: Het beroep van de Utrechtse Bomenstichting wordt gegrond verklaard en het besluit dat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde wordt vernietigd.