Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2020 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
de rechter is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser stelde beroep in tegen de WOZ-waardering van zijn garagebox, stellende dat deze samen met zijn woning als één onroerende zaak moest worden beschouwd, waardoor het woningtarief voor de onroerendezaakbelasting van toepassing zou zijn. Verweerder handhaafde de waardering en stelde dat de garagebox een zelfstandig object is, mede omdat deze op een ander terrein ligt en geen uiterlijke kenmerken heeft die duiden op een samenstel.
De rechtbank oordeelde dat de woning en garagebox geen samenstel vormen, mede vanwege de geografische afstand, het ontbreken van een functionele relatie en het feit dat de garagebox deel uitmaakt van een complex multifunctionele ruimten. Dit oordeel werd ondersteund door een eerdere uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Ten aanzien van de waarde stelde eiser dat de garagebox niet verhuurd kan worden vanwege een verleden van hennepteelt, wat volgens hem een leegstandsrisico oplevert. De rechtbank verwierp dit standpunt als subjectief en niet relevant voor de economische waarde in het kader van de Wet WOZ. Verweerder had de waarde onderbouwd met een taxatierapport gebaseerd op vergelijkbare objecten op hetzelfde bedrijventerrein.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waardering van de garagebox wordt ongegrond verklaard.