Eiser ontving in 2015 studiefinanciering in de vorm van een basisbeurs, lening, nullening en een studentenreisproduct. Verweerder stelde vast dat eiser in dat jaar een meerinkomen had van €16.962, wat hoger was dan de bijverdiengrens van €13.856,11, en vorderde daarom €2.894,22 terug. Eiser betwistte dat het gehele jaarinkomen meegeteld mocht worden, omdat hij vanaf juli alleen nog een studentenreisproduct ontving en geen basisbeurs meer. De rechtbank oordeelde dat het studentenreisproduct ook onderdeel is van studiefinanciering en dat eiser niet had afgezien van zijn aanspraak, mede gelet op de nullening.
De rechtbank verwierp het beroep van eiser dat de terugvordering te laat was ingesteld, omdat de wet geen termijn noemt waarbinnen een vordering wegens meerinkomen moet worden ingesteld. Ook het verzoek om kwijtschelding of matiging werd afgewezen, omdat de vordering een compensatoire maatregel is en geen boete, en de wet geen ruimte biedt voor vermindering.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het gehele jaarinkomen heeft meegenomen voor de berekening van het meerinkomen en dat de vordering terecht is vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.