Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 115,- door de Minister wordt vergoed.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs van september 2007 tot juli 2010. De Minister had in januari 2011 de prestatiebeurs omgezet in een gift, waarna in januari 2012 een vordering wegens meerinkomen over 2009 werd vastgesteld van €1.012,51. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze vordering ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat geen sprake was van schending van het gelijkheids- of vertrouwensbeginsel.
In hoger beroep stelde appellant dat hij onvolledig, te laat en tegenstrijdig was geïnformeerd, een grond die de rechtbank niet had beoordeeld. De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en beoordeelde deze beroepsgrond alsnog. Hoewel appellant de brief van november 2011 niet had ontvangen, oordeelde de Raad dat het besluit niet onrechtmatig was omdat de wet geen termijn voor oplegging van de vordering voorschrijft en het bestuursorgaan gebreken kan corrigeren.
De Raad bevestigde dat de vordering op grond van artikel 3.17, zevende lid, Wsf 2000 compensatoir van aard is, waarbij het deel op grond van onderdeel a proportioneel is en gemaximeerd op de genoten beurs, en het deel op grond van onderdeel b de kosten van de OV-studentenkaart dekt. Er is geen sprake van een punitieve sanctie, zodat toetsing aan het evenredigheidsbeginsel niet vereist is. Het beroep werd ongegrond verklaard en het griffierecht werd aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de vordering wegens meerinkomen is rechtmatig opgelegd.