ECLI:NL:RBMNE:2020:5364

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 november 2020
Publicatiedatum
9 december 2020
Zaaknummer
19/4296-V
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 130 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet tijdige betaling griffierecht in bestuursrechtelijke procedure

Opposant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Autoriteit Persoonsgegevens, maar de rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht. Tegen deze uitspraak is verzet ingesteld. De rechtbank heeft het verzet beoordeeld en geoordeeld dat het niet betalen van het griffierecht een geldige reden is voor niet-ontvankelijkheid van het beroep.

Opposant stelde dat hij het griffierecht in een civiele procedure als aanvullende vordering kon neerleggen en dat dit de bestuursrechter niet zou mogen verhinderen. De rechtbank verwierp dit standpunt en benadrukte dat de plicht tot tijdige betaling van het griffierecht onverminderd geldt, ook als opposant het griffierecht in een civiele procedure wil verhalen.

De rechtbank concludeerde dat er geen reden was om aan te nemen dat opposant niet in verzuim was en dat het verzet daarom ongegrond is. De eerdere uitspraak van 20 mei 2020 blijft daarmee in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard vanwege het niet tijdig betalen van het griffierecht, waardoor het beroep niet-ontvankelijk blijft.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/4296-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2020 op het verzet van

[opposant] , te [woonplaats] , opposant.

Procesverloop

Opposant heeft beroep ingediend tegen het besluit op bezwaar van 10 september 2019 van de Autoriteit Persoonsgegevens(AP).
In de uitspraak van 20 mei 2020 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat opposant het griffierecht niet (op tijd) heeft betaald.
Opposant heeft tegen deze uitspraak een verzetschrift ingediend.
Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien om opposant op een zitting te horen.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft de uitspraak van 20 mei 2020 gedaan zonder dat zij een zitting heeft gehouden. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als over de uitkomst van de procedure in redelijkheid geen twijfel mogelijk is.
2. In deze verzetprocedure is de beoordeling van de rechtbank beperkt tot de vraag of de uitspraak van de rechtbank van 20 mei 2020 in stand kan blijven. Zo ja, dan is het verzet ongegrond. Zo nee, dan is het verzet gegrond en vervalt de eerdere uitspraak.
3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 20 mei 2020 niet juist omdat hij het er niet mee eens is dat de bestuursrechter zich in zijn uitspraak van 20 mei 2020 niet bevoegd verklaard naar zijn eis in reconventie van 6 december 2019 bij de kantonrechter en de uitspraak van 15 januari 2020 van de kantonrechter. Volgens opposant kan hij – op grond van artikel 130, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – de te betalen griffierechten in de bestuursrechtzaak neerleggen bij de kantonrechter. Artikel 8:41, eerste lid, van de Awb verzet zich daar niet tegen, aldus opposant.
4. De rechtbank volgt opposant hierin niet. De bestuursrechter heeft zich in de uitspraak van 20 mei 2020 niet onbevoegd verklaard. De bestuursrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet betalen van het griffierecht. Met betrekking tot de stelling van opposant dat hij het te betalen griffierecht in de bestuursrechtzaak kan neerleggen bij de kantonrechter overweegt de rechtbank het volgende. Het staat opposant vrij om griffierechten die betaald worden in de bestuursrechtzaak als (aanvullende) vordering in te brengen in een civielrechtelijke procedure. Dit ontslaat opposant echter niet van de plicht om het griffierecht in de bestuursrechtzaak op tijd te betalen. Artikel 8:41, vijfde en zesde lid, van Awb geeft duidelijk aan dat indien het griffierecht niet (op tijd) is betaald het beroep niet-ontvankelijk is, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Van dat laatste is hier geen sprake. Met de brief van 27 februari 2020 heeft de rechtbank aangegeven dat opposant verplicht is om het griffierecht te voldoen. Dit heeft hij niet gedaan. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 20 mei 2020 in stand blijft.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk, griffier. De beslissing is uitgesproken op 20 november 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.