ECLI:NL:RBMNE:2020:5385
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering verklaring omtrent gedrag wegens verduistering in dienstbetrekking
Eiser verzocht op 23 oktober 2019 om een verklaring omtrent gedrag (VOG) voor een functie als zorgverlener. De Minister voor Rechtsbescherming weigerde de VOG op grond van een veroordeling wegens verduistering in dienstbetrekking binnen de terugkijktermijn van twee jaar. Eiser had tegen deze veroordeling hoger beroep aangetekend.
De rechtbank oordeelt dat het strafbare feit een vermogensdelict betreft dat niet verenigbaar is met de functie van zorgverlener, vanwege de afhankelijkheidsrelatie en mogelijke toegang tot financiële middelen van cliënten. Verweerder heeft het juiste screeningsprofiel toegepast en gemotiveerd dat herhaling van het feit een belemmering vormt voor de functie.
Eiser voerde aan dat de straf relatief laag was, dat de aard van het delict anders was dan diefstal, en dat geen sprake was van recidive. De rechtbank stelt dat verweerder de belangenafweging zorgvuldig heeft gemaakt, rekening houdend met strafmaat, tijdsverloop en antecedenten. Verweerder hoefde geen nader onderzoek te doen naar de omstandigheden van het feit, omdat er geen twijfel bestond over de afwijzing.
De rechtbank concludeert dat het belang van de samenleving bij bescherming tegen risico's zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eiser bij een VOG. Het beroep wordt ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling wordt niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de VOG wordt ongegrond verklaard.