6.5.Vorenstaand oordeel leidt ertoe dat eiser verplicht was om gebruik te maken van het traject bij [sociale onderneming] . Door dit niet te doen, heeft hij geweigerd gebruik te maken van een door verweerder aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Gelet hierop was verweerder ingevolge artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, en vijfde lid, van de Pw, gehouden de bijstand van eiser te verlagen overeenkomstig de toepasselijke Maatregelverordening Participatiewet Noordoostpolder.
7. Eiser heeft tegen de hoogte van de maatregel geen beroepsgronden aangevoerd. Wel heeft eiser aangevoerd dat hem van deze gedraging geen verwijt kan worden gemaakt. Hij stelt dat verweerder daarom had moeten afzien van het opleggen van de maatregel of deze in ieder geval had moeten matigen.
8. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hem geen enkel verwijt treft. Dit vloeit voort uit het uitzonderingskarakter van artikel 18, negende lid, van de Pw.Eiser is daarin niet geslaagd. Zijn stelling dat het gesprek op 13 november 2019 een kennismakingsgesprek was en dat het hem niet duidelijk was dat hij de plek niet kon weigeren, is daartoe onvoldoende. Dit blijkt al uit hetgeen de rechtbank in 6.1 heeft overwogen. Eiser heeft verder nog gesteld dat hij gezien zijn medische situatie een goede reden had om deelname aan het traject bij [sociale onderneming] te weigeren. Ook deze grond slaagt niet. De rechtbank verwijst hiertoe naar hetgeen zij onder 6.2, 6.3 en 6.4 heeft overwogen. In wat eiser heeft aangevoerd heeft verweerder dan ook geen aanleiding hoeven zien om van het opleggen van de maatregel af te zien of om deze te matigen.
9. Eiser heeft tot slot nog aangevoerd dat er dringende redenen zijn die verweerder aanleiding had moeten geven om de maatregel te matigen tot 50% voor de duur van één maand.
10. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 18, tiende lid, van de Pw is af te leiden, dat de invulling van het begrip ‘dringende reden in verband met bijzondere omstandigheden’ niet beperkt is tot de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een maatregel heeft voor de betrokkene gelet op diens persoonlijke omstandigheden. Deze invulling is namelijk ruimer en omvat mede een beoordeling van de omstandigheden, de mogelijkheden en middelen van de betrokkene. Dit volgt uit vaste rechtspraak. Het bestuursorgaan heeft beoordelingsvrijheid ten aanzien van de vraag of, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen om de maatregel af te stemmen zich voordoen.
11. De rechtbank kan verweerder volgen in zijn standpunt dat wat eiser hierover heeft aangevoerd geen dringende reden oplevert. Voor eiser is niet voldoende dat sprake is van een problematische financiële situatie en van dreiging van het ontstaan van meer schulden. Voor het matigen van de maatregel als door eiser voorgesteld, heeft verweerder daarom geen aanleiding hoeven zien.
12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.