Uitspraak
25 mei 2018, 17/3852 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, die sinds 2015 bijstand ontvangt op grond van de Participatiewet, volgde een traject met workshops en een werkervaringsplaats bij het [BV]. Zij beëindigde deze werkervaringsplaats op eigen initiatief vanwege privéproblemen en vergeetachtigheid, zonder overleg met het college of werkbegeleidster.
Het college legde een maatregel op waarbij de bijstand met 100% werd verlaagd voor één maand, omdat appellante niet voldeed aan de verplichting om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het college onvoldoende maatwerk had geleverd en onzorgvuldig had gehandeld door niet direct te onderzoeken waarom zij was uitgevallen. De Raad oordeelde dat het college wel degelijk maatwerk had geleverd en adequaat had gehandeld door uitnodiging tot gesprek. Ook ontbraken dringende redenen om de maatregel te matigen.
De Raad concludeerde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat haar geen enkel verwijt treft en dat het eenzijdig beëindigen zonder overleg niet gerechtvaardigd was. De maatregel was daarom terecht opgelegd en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 100% gedurende één maand wegens het eenzijdig beëindigen van de werkervaringsplaats zonder overleg wordt bevestigd.