Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
Procesverloop
Overwegingen
Daarnaast is het oude vaarbevoegdheidsbewijs van eiser al langer dan vijf jaar verlopen. Daarom voldoet hij niet aan de voorwaarden in artikel 8, tweede en derde lid, van het Besluit zeevarenden (het Besluit). Bovendien is de functie die eiser de afgelopen jaren heeft uitgeoefend geen vergelijkbare functie in de zin van artikel 10.7 van de Regeling. Verschillende competenties zijn hiermee immers niet aangetoond. Ook om die reden voldoet eiser niet aan de voorwaarden in artikel 8, tweede lid, van het Besluit.
ministervan Infrastructuur en Waterstaat bevoegd tot afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs, en niet de staatssecretaris. De minister heeft het besluit op 14 september 2020 bekrachtigd. Het beroep is gegrond. Het besluit zal wegens strijd met artikel 20, eerste lid van de Wet worden vernietigd. Omdat de minister het besluit heeft bekrachtigd is het gebrek in de besluitvorming in zoverre hersteld. De rechtbank zal daarom hierna beoordelen of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.
De rechtbank is het wel met eiser eens dat de regelgeving over vernieuwing van een vaarbevoegdheid niet uitblinkt in eenvoud. Toch geldt het uitgangspunt dat van een burger kan worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelt van de relevante wet- en regelgeving en zich daarbij zo nodig laat bijstaan, bijvoorbeeld door een professioneel rechtshulpverlener.
Wat eiser heeft aangevoerd over de communicatie met en voorlichting door verweerder leidt niet tot het oordeel dat de besluitvorming daardoor onzorgvuldig is geweest.
Voor zover eiser heeft gesteld dat uit het besluit niet duidelijk blijkt waarom zijn vaarbewijs niet wordt vernieuwd zal de rechtbank hierna op de argumenten van eiser ingaan.
In het derde lid van genoemd artikel is geregeld onder welke overige omstandigheden een vaarbevoegdheidsbewijs kan worden vernieuwd.
daarmee vergelijkbare functiezoals in het artikel bedoeld.
geldigheidvan het vaarbevoegdheidsbewijs niet langer van belang voor toepassing van het tweede lid. Voor zover van belang, luidde de eerste volzin van het tweede lid vóór 1 juli 2018: ‘Een
geldigvaarbevoegdheidsbewijs of een aanvulling daarop kan worden vernieuwd indien […]’ (cursivering rechtbank). [4] Het woord ‘geldig’ is echter met de wijziging in 2018 uit de bepaling geschrapt. [5] Uit de toelichting bij deze wijziging blijkt expliciet dat een vaarbevoegdheidsbewijs dat door verloop van de geldigheidsduur ongeldig is geworden, kan worden vernieuwd indien wordt voldaan aan de in het tweede lid genoemde voorwaarden.
Dit betekent dat het enkele feit dat het vaarbevoegdheidsbewijs van eiser langer dan vijf jaar verlopen dus niet betekent dat artikel 8, tweede lid van het Besluit niet op hem van toepassing is. Om die conclusie te kunnen trekken moet verweerder eerst beoordelen of eiser heeft dienstgedaan in een andere, bij regeling van Onze Minister vastgestelde, vergelijkbare functie.
12. De rechtbank stelt voorop dat verweerder beoordelingsruimte heeft bij het als vergelijkbaar aanmerken van andere functies. Uit verweerders toelichting ter zitting heeft de rechtbank begrepen dat verweerder geen beleid hanteert voor de invulling van dit criterium. De rechtbank zal dan ook beoordelen of verweerder met de in het besluit gegeven motivering in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat eisers werkervaring niet als vergelijkbare functie kan worden aangemerkt.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in het besluit niet heeft beschreven welke competenties eiser moet bezitten, en hoe wordt beoordeeld of eiser deze competenties inderdaad bezit. Daarnaast heeft verweerder geen inzicht gegeven in hoe de werkervaring van eiser precies is gewaardeerd.
Het is onduidelijk welke feiten met betrekking tot de precieze aard en duur van bepaalde werkzaamheden van eiser, verweerder tot uitgangspunt neemt. Ook is onduidelijk hoe de kwalificatie van die feiten vervolgens leidt tot de (zeer summier weergegeven) conclusies. De motivering van verweerder op dit punt is dan ook niet toereikend.
Artikel 8, derde lid, aanhef en onder c, bepaalt dat het vaarbevoegdheidsbewijs ook kan worden vernieuwd als de houder voorafgaand aan de aanvraag een opleiding heeft gevolgd zoals bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet.
Daarin is bepaald dat aan de voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs benodigde beroepsvereisten kan worden voldaan door het met goed gevolg hebben afgelegd van het afsluitend examen van een aan een op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bekostigde hogeschool of rechtspersoon hoger onderwijs verbonden opleiding voor een nautisch beroep dan wel het met goed gevolg hebben afgelegd van het examen van een nautische beroepsopleiding waarvoor op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs een kwalificatiedossier is, of eindtermen zijn vastgesteld.
De rechtbank kan zich voorstellen dat eiser zich afvraagt wat de uitspraak betekent voor als hij, na het behalen van de benodigde certificaten, opnieuw een aanvraag zou doen. De rechtbank kan die vraag niet beantwoorden omdat dit een oordeel zou inhouden over een besluit dat nog niet is genomen. Het staat partijen vrij om naar aanleiding van de uitspraak met elkaar in overleg te treden over het vervolg.
Beslissing
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden.