In deze bestuursrechtelijke zaak staat de hoogte van de kostenvergoeding voor twee taxatierapporten centraal, die eiseres heeft ingediend in bezwaar tegen WOZ-waarden van twee onroerende zaken. Verweerder heeft de waarden verlaagd en een kostenvergoeding toegekend op basis van een uurtarief van €84,- en een aantal uren van respectievelijk 12 en 4.
Eiseres betwist de hoogte van het uurtarief en het aantal uren, stellende dat een hoger uurtarief van €110,- en meer uren voor het tweede taxatierapport passend zijn. De rechtbank oordeelt dat het gehanteerde uurtarief niet onredelijk is en aansluit bij richtlijnen en rechtspraak voor soortgelijke incourante niet-woningen. Ook acht de rechtbank het aantal toegekende uren voor het tweede object, dat vergelijkbaar is met het eerste maar minder omvangrijk, redelijk.
De rechtbank concludeert dat eiseres onvoldoende onderbouwing heeft geleverd voor haar hogere eisen en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een hogere proceskostenvergoeding dan reeds toegekend.