Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
verblijvende te PI Alphen aan den Rijn.
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
primair), dan wel een of meer handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] , terwijl verdachte wist dat [slachtoffer] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde (
subsidiair);
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
augustus2020 dateert. Nu niet is gebleken dat aan verdachte nog een andere gedragsaanwijzing is gegeven, en het ter terechtzitting voor alle partijen duidelijk was dat het ten laste gelegde feit ziet op
diegedragsaanwijzing – die ook in het dossier van deze strafzaak is opgenomen – en partijen daarover ook inhoudelijk hebben gedebatteerd, zal de rechtbank de datum van de gedragsaanwijzing in de bewezenverklaring verbeteren.
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
9.BENADEELDE PARTIJ
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
11.BESLISSING
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden;
- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 3.400,-;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2020 tot de dag van volledige betaling;
- verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 3.400,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2020 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 44 dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.