Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Rekestnummer: 20/1087
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot vergoeding van advocaatkosten en reiskosten na ontvangst van een kennisgeving van niet verdere vervolging op 1 december 2019. Het verzoekschrift werd op 28 mei 2020 ontvangen, met een overschrijding van de indieningstermijn, maar deze werd als verschoonbaar beoordeeld omdat het verzoekschrift eerder op 21 februari 2020 bij een andere rechtbank was ingediend en de doorzending ruim drie maanden duurde.
De rechtbank oordeelde dat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek. Omdat de strafzaak zonder strafoplegging of maatregel werd beëindigd, kan verzoeker aanspraak maken op vergoeding van gemaakte kosten voor reis, verblijf en rechtsbijstand. De rechtbank wees de reiskosten van de moeder van verzoeker af wegens gebrek aan direct verband.
De gevraagde advocaatkosten werden als redelijk beoordeeld op basis van overgelegde urenspecificaties en declaraties. Daarnaast werd een vergoeding toegekend voor de kosten van het indienen van het verzoek. De totale vergoeding werd vastgesteld op €1.697,76, uit te betalen uit de rijkskas.
Tegen deze beschikking staat hoger beroep open voor zowel verzoeker als het openbaar ministerie binnen gestelde termijnen.
Uitkomst: Verzoek tot vergoeding advocaat- en reiskosten wordt toegewezen voor een bedrag van €1.697,76.