ECLI:NL:RBMNE:2020:5808
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit wegens onjuiste verlenging inburgeringstermijn na verblijf AZC
Eiser kreeg een boete van €100,- opgelegd omdat hij niet tijdig aan zijn inburgeringsplicht zou hebben voldaan. De verlenging van zijn inburgeringstermijn met 36 weken wegens verblijf in een asielzoekerscentrum werd door verweerder als voldoende beschouwd. Eiser betwistte de motivering en stelde dat de termijn pas moest ingaan vanaf zijn inschrijving in de basisregistratie personen (BRP) in zijn woonplaats.
De rechtbank stelde vast dat de inburgeringstermijn volgens de wet start bij het moment van inburgeringsplicht en niet bij inschrijving in de BRP. De verlenging van de termijn moest conform de Beleidsregel verlenging inburgeringstermijn bij geen verwijt worden berekend. Verweerder kon de verlenging op basis van de destijds geldende uitvoeringspraktijk niet voldoende motiveren.
De rechtbank concludeerde dat de verlenging minimaal 43 weken had moeten bedragen in plaats van 36 weken, waardoor eiser uiterlijk op 29 december 2019 aan zijn verplichtingen had moeten voldoen. Aangezien eiser op 12 december 2019 slaagde, voldeed hij tijdig aan zijn plicht. Het boetebesluit werd daarom vernietigd en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het boetebesluit wordt vernietigd omdat eiser tijdig aan zijn inburgeringsplicht heeft voldaan door een onjuiste verlenging van de inburgeringstermijn.