ECLI:NL:RBMNE:2020:5810
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank matigt boete wegens niet tijdig voldoen aan inburgeringsplicht na intrekking verblijfsvergunning
Eiser kreeg een boete van €400 opgelegd wegens het niet tijdig voldoen aan zijn inburgeringsplicht. Hij stelde dat zijn inburgeringsplicht was geëindigd na de intrekking van zijn verblijfsvergunning in juli 2017, omdat hij toen niet langer tot de inburgeringsplichtige vreemdelingen behoorde. Verweerder handhaafde de boete omdat eiser rechtmatig verblijf behield door het instellen van beroep tegen de intrekking, waardoor de inburgeringsplicht bleef voortduren.
De rechtbank oordeelde dat eiser terecht een boete kreeg, maar dat de hoogte ervan niet evenredig was. De emotionele impact van de onverwachte intrekking van de verblijfsvergunning, waardoor eiser zes maanden niet kon inburgeren, rechtvaardigde matiging van de boete. De rechtbank matigde de boete met een zesde, waardoor deze werd vastgesteld op €333,33.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. De uitspraak benadrukt dat de intrekking van de verblijfsvergunning niet automatisch het einde van de inburgeringsplicht betekent wanneer rechtmatig verblijf wordt behouden door beroep.
Uitkomst: De rechtbank matigt de boete tot €333,33 en verklaart het beroep van eiser gegrond.