Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almere van 27 februari 2019, waarin het bezwaar van eiser tegen een brief over de saldobevestiging 2018 niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank beoordeelt het beroep op basis van artikel 8:54 vanPro de Awb zonder zitting.
De rechtbank stelt vast dat het door eiser ingediende beroepschrift niet is ondertekend, terwijl artikel 6:5 vanPro de Awb dit vereist. Ondanks twee verzoeken van de rechtbank om het beroepschrift alsnog te ondertekenen, heeft eiser dit niet gedaan en geen verontschuldiging gegeven voor het verzuim.
Gelet hierop verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 6:6 enPro 8:54 van de Awb. Het beroep wordt daarom niet inhoudelijk behandeld en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman op 2 april 2020 in Utrecht. Vanwege coronamaatregelen is de uitspraak niet openbaar uitgesproken, maar zal dit worden ingehaald zodra mogelijk.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een ondertekend beroepschrift.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/993
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2020 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder van
27 februari 2019. Verweerder heeft in dit besluit het bezwaar van eiser tegen de brief van
13 februari 2019 met als onderwerp “Saldobevestiging 2018” niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Overwegingen
1.De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 vanPro de Awb uitspraak zonder zitting.
2. Iemand die in beroep gaat moet het beroepschrift ondertekenen. Dit staat in artikel 6:5 vanPro de Awb. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep op grond van artikel 6:6 vanPro de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
3. Eiser heeft bij ongedateerde brief, ontvangen op 7 maart 2019, gereageerd op het besluit van verweerder van 27 februari 2019. Eiser heeft deze brief niet ondertekend. De brief van eiser is door verweerder als beroepschrift aangemerkt en doorgestuurd naar de rechtbank.
4. De rechtbank heeft eiser bij brief van 13 maart 2019 verzocht om binnen vier weken het beroepschrift te ondertekenen. In deze brief is aan eiser meegedeeld dat indien niet aan het verzoek wordt voldaan het beroep niet-ontvankelijk verklaard kan worden. Vervolgens is eiser bij aangetekende brief van 10 mei 2019 verzocht het beroepschrift te ondertekenen. In deze brief is meegedeeld dat indien eiser dit verzuim niet binnen vier weken herstelt, het beroep niet-ontvankelijk verklaard kan worden.
5. Eiser heeft niet binnen de gestelde termijn een ondertekend beroepschrift overgelegd.
6. Eiser heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. De rechtbank gaat er daarom van uit dat er geen verontschuldiging is voor dit verzuim.
7. Het beroep van eiser is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 AwbPro). Het beroep zal daarom niet inhoudelijk worden behandeld.
8. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.M. Gena, griffier, op 2 april 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.