ECLI:NL:RBMNE:2020:749

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 februari 2020
Publicatiedatum
28 februari 2020
Zaaknummer
UTR 19/2227 en UTR 19/2229
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk bij toekenning volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de herleving van zijn Ziektewet-uitkering en de toekenning van een WIA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroepen.

De rechtbank oordeelt dat eiser met de bestreden besluiten het gewenste resultaat heeft bereikt, namelijk een herleving van de ZW-uitkering en een WIA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Eiser streeft geen IVA-uitkering na, waardoor het maximale resultaat is bereikt.

Eiser stelt belang te hebben bij een correcte weergave van zijn beperkingen in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) voor toekomstige herbeoordelingen. De rechtbank volgt dit niet, omdat de FML een momentopname is en eiser volledig arbeidsongeschikt wordt geacht, waardoor re-integratie niet van hem wordt verwacht.

Daarom ontbreekt het aan procesbelang en verklaart de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk. De rechtbank komt niet toe aan de inhoudelijke beoordeling en wijst proceskostenvergoedingen af.

Uitkomst: De beroepen worden niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Lelystad
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 19/2227 en UTR 19/2229
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.B.M. Swart),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: W.A. Postma).

Inleiding

Eiser heeft zich op 1 juli 2011 ziekgemeld vanuit de Werkeloosheidswet (WW). Na verloop van de wachttijd (104 weken) heeft verweerder eisers aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) afgewezen, omdat hij toen minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
Eiser heeft zich per 24 juli 2017 ziekgemeld vanuit een nieuw dienstverband. Hij kreeg daarom van zijn werkgever een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Eiser heeft daarnaast verzocht om een herbeoordeling in het kader van de Wet WIA vanaf de datum van zijn ziekmelding, omdat sprake is van toegenomen klachten door dezelfde ziekte als ten tijde van de afwijzing van de eerdere WIA-aanvraag .
Met het besluit van 22 juni 2018 heeft verweerder aan eiser laten weten dat hij niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.
Met het besluit van 23 juli 2018 heeft verweerder aan eiser laten weten dat zijn ZW-uitkering stopt per 24 augustus 2018, omdat eiser meer dan 65% van zijn laatstverdiende loon zou moeten kunnen verdienen.
Met de besluiten van 26 april 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de besluiten van 22 juni 2018 en 23 juli 2018 herroepen. Verweerder heeft daarbij de ZW-uitkering van eiser laten herleven en hem volledig (80% tot 100%) arbeidsongeschikt geacht in de zin van de Wet WIA.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 20 februari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft voor haar oordeel de volgende motivering.
Procesbelang
2. De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of eiser nog procesbelang heeft. Het is vaste rechtspraak dat de vraag die hiervoor moet worden beantwoord is of eiser met zijn beroep het resultaat kan bereiken wat hij wenst te bereiken. Ook is van belang of dat resultaat ook feitelijke betekenis voor eiser heeft. Een puur formeel of principieel belang is hiervoor onvoldoende.
3. De rechtbank van oordeel dat eiser onvoldoende belang heeft bij zijn beroepen tegen de bestreden besluiten. Daarvoor is van belang dat eiser met de bestreden besluiten heeft gekregen wat hij wilde, namelijk een herleving van zijn ZW-uitkering en een WIA-uitkering. Hij heeft aangegeven geen IVA-uitkering voor volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid na te streven. In zo’n geval is een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van volledige arbeidsongeschiktheid het maximale wat hij kan bereiken.
4. Eiser heeft op de zitting – onder verwijzing naar twee uitspraken van de CRvB [1] – toegelicht dat hij belang heeft bij een correcte weergave van zijn beperkingen in de functionelemogelijkhedenlijst (FML), omdat deze van invloed is op zijn arbeidsintegratie en omdat deze wordt gebruikt bij toekomstige herbeoordelingen.
5. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De door hem aangehaalde rechtspraak ziet op gevallen waarin de betrokkenen gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn verklaard en van hen wordt verwacht dat zij gedeeltelijk re-integreren. In die gevallen kan er op grond van de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep inderdaad belang zijn bij een correcte vermelding van de beperkingen in een FML, ondanks dat de betrokkene heeft gekregen wat hij wilde, omdat dat relevant is met het oog op zijn arbeidsintegratie. Dit speelt bij eiser niet, omdat hij volledig arbeidsongeschikt wordt geacht en van hem dus niet wordt verwacht dat hij re-integreert.
Het belang dat eiser stelt te hebben bij een correcte weergave van zijn beperkingen in verband met eventuele toekomstige herkeuringen levert ook geen procesbelang op. Hiervoor is van belang dat de FML een momentopname betreft en dat bij een eventuele herkeuring de op dat moment geldende medische en arbeidskundige situatie moet worden getoetst.
Conclusie
6. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij deze procedure en komt daarom niet toe aan de inhoud. De beroepen zijn niet-ontvankelijk. Daarom krijgt eiser ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van B. Inci, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2020.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.CRvB 13 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3216 en CRVB 24 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:242