ECLI:NL:RBMNE:2020:893
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige machtiging tot opname op grond van BOPZ in het licht van nieuwe Wvggz
De rechtbank Midden-Nederland behandelde het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een voorlopige machtiging voor opname van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ).
Tijdens de zitting op 4 februari 2020 werden betrokkene, haar advocaat, een psychiater en een sociaal psychiatrisch verpleegkundige gehoord. De advocaat betoogde dat opname niet noodzakelijk was omdat betrokkene stabieler was door medicatieaanpassing, minder contact zocht met hulpdiensten en er geen sprake was van een dusdanig gevaar dat opname rechtvaardigde. De psychiater bevestigde de bipolaire stoornis van betrokkene en constateerde wisselende symptomen, maar gaf aan dat onder de nieuwe Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) verplichte zorg in de thuissituatie de voorkeur zou hebben.
De sociaal psychiatrisch verpleegkundige meldde een rustiger periode met wisselend beeld. De rechtbank concludeerde dat er onvoldoende gronden waren voor opname en dat minder bezwarende alternatieven in de thuissituatie mogelijk zijn. Daarom werd het verzoek tot voorlopige machtiging afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige machtiging tot opname wordt afgewezen wegens onvoldoende noodzaak en aanwezigheid van minder bezwarende alternatieven.