Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
hierna te noemen: verdachte.
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.VRIJSPRAAK
feitelijkewerkrelatie is beëindigd. Vrijwillig seksueel contact met een voormalig cliënt valt niet onder de strafbaarstelling van artikel 249, tweede lid onder 3°, Wetboek van Strafrecht (Sr), aangezien er dan geen sprake meer is van een persoon die als patiënt of cliënt aan hulp of zorg is toevertrouwd aan iemand die werkzaam is in de gezondheids- of maatschappelijke zorg. Subsidiair geldt dat, indien het seksuele contact door de cliënt vrijwillig is en enige vorm van een uit een hulpverleningsrelatie voortvloeiende afhankelijkheid daar niet van invloed op is geweest, deze seksuele handelingen niet vallen onder het bereik van artikel 249, tweede lid, onder 3°, Sr.
(“Ik hoorde [verdachte](de rechtbank begrijpt: verdachte)
zeggen dat ze seks hadden gehad twee weken geleden.”), terwijl een specifieke handeling staat beschreven in de tenlastelegging: het brengen van de penis in de vagina. De enkele de auditu-verklaring van getuige [getuige] is, naast de ontkenning van verdachte, te weinig om aan het bewijsminimum te voldoen met betrekking tot het brengen van de penis in de vagina.
Ik zou het zo niet kunnen zeggen, Er is zoveel gebeurd, nu tong ik ook met haar want we hebben nu een relatie.”
Dan werk ik daar toch niet meer. Ik heb een bewuste keus gemaakt." Toen hem werd gevraagd wanneer hij merkte dat het contact met [slachtoffer] veranderde, antwoordde hij onder meer: "
Ik heb een bewuste keus gemaakt om ontslag te nemen." Hoewel verdachte [slachtoffer] aanvankelijk kende vanuit de hulpverleningsverhouding, heeft verdachte zelf de nodige stappen gezet om zijn contract bij [werkgever] te beëindigen. Hieruit maakt de rechtbank op dat verdachte, met het nemen van ontslag, een situatie wilde laten ontstaan waarin [slachtoffer] niet langer als cliënte aan zijn zorg en/of hulp zou zijn toevertrouwd. Daarbij komt het volgende.
ontuchtigehandelingen. In geval van verstandelijk beperkten wordt gedoeld op een stoornis waardoor de wil omtrent seksuele handelingen niet goed kan worden bepaald. Voor strafbaarheid van een gedraging is dus vereist dat komt vast te staan dat het slachtoffer leed aan een psychische stoornis of een verstandelijke beperking èn dat het slachtoffer daardoor niet of onvolkomen in staat was zijn wil ten aanzien van de gepleegde seksuele handelingen te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden (HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6205).