Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
14 oktober 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden waarin verdachte werd vrijgesproken van ontuchtpleging met een cliënt binnen een hulpverleningsrelatie. Verdachte was werkzaam als therapeut en werd beschuldigd van meerdere seksuele handelingen met aangeefster in de periode augustus tot december 2006.
De kern van het geschil was of de seksuele handelingen plaatsvonden binnen een zodanige hulpverlener-patiënt relatie dat sprake was van ontucht in de zin van artikel 249 lid 2 onder Pro 3 Wetboek van Strafrecht. Het hof oordeelde dat de behandelrelatie formeel was beëindigd na de sessie van 25 augustus 2006 en dat er onvoldoende bewijs was voor een afhankelijkheidsrelatie die de seksuele handelingen ontuchtig zou maken.
Het Openbaar Ministerie voerde aan dat de afhankelijkheidsrelatie niet zo eenvoudig ontkend kon worden en dat de korte behandelperiode en het onderwerp van de therapie niet doorslaggevend waren. Het hof verwierp deze argumenten en stelde dat afhankelijkheid moet worden beoordeeld in het kader van de specifieke hulpvraag en behandelrelatie.
De Hoge Raad concludeert dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is en geen onjuiste rechtsopvatting bevat. Het cassatieberoep wordt verworpen en de vrijspraak blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak wegens ontbreken van een strafbare afhankelijkheidsrelatie bij de seksuele handelingen.