ECLI:NL:RBMNE:2021:1399
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens vermeend drugsgebruik tijdens werktijd niet vastgesteld
Eiser werd op staande voet ontslagen door zijn werkgever wegens vermeend drugsgebruik tijdens werktijd, namelijk het roken van een joint in de bedrijfsbus op weg naar huis. Het UWV weigerde daarop de uitbetaling van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. Eiser betwistte dit en stelde dat hij de joint pas na werktijd thuis had gerookt.
De rechtbank constateerde dat de verklaringen van eiser en werkgever (gebaseerd op een verklaring van een collega) over de feiten op 4 maart 2020 uiteenlopen. Het dossier bevatte geen bewijs dat eiser het roken tijdens werktijd had erkend en de verklaring van de collega ontbrak. Hierdoor stond de feitelijke grondslag van het besluit niet vast.
De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar de feiten en de dringende reden voor ontslag. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg het UWV op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij nader onderzoek moet worden verricht. Indien het UWV niet kan onderbouwen dat de werkloosheid verwijtbaar is, moet de uitkering worden uitbetaald. Het betaalde griffierecht werd aan eiser vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt vernietigd; het UWV moet een nieuw besluit nemen na nader onderzoek.