ECLI:NL:RBMNE:2021:1470
Rechtbank Midden-Nederland
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over onvoldoende onderbouwing loonsanctie door UWV
De werkneemster was sinds mei 2017 ziek gemeld en de werkgever betaalde gedurende de wettelijke wachttijd van twee jaar het loon door. Het UWV legde een loonsanctie op omdat de werkgever onvoldoende zou hebben gere-integreerd, wat de werkgever betwistte. De rechtbank beoordeelde het bezwaar tegen deze loonsanctie.
De rechtbank constateerde dat het UWV de wijziging van het verwijt binnen de wachttijd mocht aanbrengen, omdat het onderliggende verwijt over de beoordeling van de belastbaarheid door de bedrijfsarts hetzelfde bleef, alleen de focus verschoof naar een latere periode. De rechtbank vond dat de werkgever voldoende duidelijkheid had over de te verrichten reparatie-inspanningen.
Echter, de rechtbank vond dat het UWV onvoldoende had onderbouwd waarom de bedrijfsarts vanaf de zomer van 2018 de belastbaarheid niet goed had vastgesteld. De rapporten van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige boden onvoldoende specifieke motivering. Daarom was de beslissing op bezwaar onvoldoende gemotiveerd en moest het UWV dit gebrek herstellen.
De rechtbank stelde het UWV in de gelegenheid om binnen zes weken het gebrek te herstellen met aanvullende motivering of een nieuwe beslissing op bezwaar. De verdere beslissing werd aangehouden tot de einduitspraak. Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing op bezwaar aan en geeft het UWV zes weken de tijd om de onvoldoende gemotiveerde loonsanctie te herstellen.