Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Procesverloop
- de advocaat van betrokkene;
- mevrouw [A] , behandelend psychiater van betrokkene en
- mevrouw [B] , sociaal-psychiatrisch verpleegkundige, beiden werkzaam bij [naam stichting] .
Rechtbank Midden-Nederland
Betrokkene diende een klacht in tegen de verplichte toediening van het antipsychoticum Haldol op grond van een zorgmachtiging onder de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Zij verzocht tevens om schorsing van de medicatie totdat een MRI-scan en een second opinion konden aantonen dat zij niet lijdt aan een psychotische stoornis. De zorgaanbieder stelde dat ondanks enige verbetering de psychose onverminderd aanwezig is en medicatie noodzakelijk blijft.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek om een MRI-scan en second opinion niet-ontvankelijk is, omdat de aanwezigheid van een psychische stoornis reeds is vastgesteld bij het verlenen van de zorgmachtiging en dit niet binnen de klachtprocedure kan worden betwist. De klacht over het ontbreken van acuut gevaar werd ongegrond verklaard, omdat de psychose nog steeds aanwezig is en het risico op maatschappelijke teloorgang blijft bestaan.
Verder werd geoordeeld dat de behandeling met medicatie, waaronder Haldol, voldoet aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid, mede omdat er rekening wordt gehouden met de wensen van betrokkene en alternatieve medicatie mogelijk is. De rechtbank wees daarom het verzoek tot schorsing van de medicatie af. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de klacht ongegrond, het verzoek om MRI-scan en second opinion niet-ontvankelijk en wijst het schorsingsverzoek af.