ECLI:NL:RBMNE:2021:1613
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring vervolging wegens strijd met redelijke en billijke belangenafweging in coffeeshopzaak
De rechtbank Midden-Nederland behandelde de zaak tegen verdachte die werd vervolgd voor grootschalige handel in hennep en hasjproducten en witwassen over de periode 2007-2009. Na eerdere procedures en een arrest van het gerechtshof werd de zaak terugverwezen naar de rechtbank.
De verdediging voerde meerdere preliminaire verweren aan, waaronder overschrijding van de redelijke termijn, strijd met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging en verjaring. De rechtbank oordeelde dat hoewel sprake was van een extreme overschrijding van de redelijke termijn, dit op zich niet tot niet-ontvankelijkheid leidt. Wel werd geoordeeld dat de beslissing van het Openbaar Ministerie om de vervolging voort te zetten in dit geval onverenigbaar is met een redelijke en billijke belangenafweging.
De rechtbank baseerde dit op het feit dat de gemeente Almere jarenlang het coffeeshopbeleid heeft gedoogd, waarbij de voorraad softdrugs elders werd opgeslagen en de politie en het OM jarenlang niet strafrechtelijk ingrepen. De langdurige schikkingsonderhandelingen, die door het OM waren geïnitieerd en meer dan vier jaar duurden zonder resultaat, droegen zwaar mee aan de overschrijding en het oordeel dat het belang van strafrechtelijke vervolging onvoldoende was gemotiveerd.
De rechtbank concludeerde dat het Openbaar Ministerie onvoldoende heeft toegelicht welk strafrechtelijk belang nog gediend wordt met voortzetting van de vervolging, temeer daar verdachte inmiddels deelnemer is aan het wiet-experiment van de overheid. Daarom verklaarde de rechtbank het OM niet-ontvankelijk in de vervolging.
Uitkomst: De officier van justitie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens strijd met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging.